Selecteer een pagina
Na of naar: wat is het verschil en wanneer gebruik je welke vorm?

Na of naar: wat is het verschil en wanneer gebruik je welke vorm?

Na of naar: wanneer gebruik je na en wanneer naar?

Schrijf je na of naar? Beide woorden zijn correct, maar hebben een andere betekenis. Na heeft meestal met tijd of volgorde te maken. Naar gebruik je onder andere bij een richting, bestemming of wanneer iets ergens op gericht is.

Vergelijk:

Na het eten ga ik naar huis.
Na het eten ga ik naar huis.

In één zin zie je het verschil al: na het eten geeft aan wanneer iets gebeurt en naar huis geeft aan waarheen iemand gaat.

Het verschil tussen na en naar is een van de vele veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal. De woorden lijken sterk op elkaar, maar hebben een andere functie.

Wanneer gebruik je na?

Na betekent dat iets later komt dan iets anders. Het kan daarbij gaan om tijd, maar ook om een bepaalde volgorde.

Bijvoorbeeld:

Na het eten ga ik sporten.
Na de vergadering sturen we het verslag.
Hij belde mij na het weekend.
Na drie dagen kregen we antwoord.
De letter B komt na de A.

In de eerste vier voorbeelden gaat het om tijd. In het laatste voorbeeld gaat het om een volgorde: B komt achter A.

Je kunt na vaak begrijpen als nadat iets anders is gebeurd.

Na de vergadering = nadat de vergadering is afgelopen.
Na het eten = nadat we hebben gegeten.

Wanneer gebruik je naar?

Naar gebruik je vaak wanneer het gaat om een richting of bestemming.

Bijvoorbeeld:

Ik ga naar huis.
Zij reist naar Spanje.
We rijden naar Amsterdam.
Hij loopt naar buiten.

Je kunt jezelf hierbij de vraag waarheen? stellen.

Waarheen ga je? → naar huis
Waarheen reis je? → naar Spanje

Maar naar wordt niet alleen voor een letterlijke richting gebruikt. Het komt ook voor in allerlei vaste combinaties:

luisteren naar muziek
kijken naar televisie
zoeken naar een oplossing
vragen naar de prijs
verlangen naar vakantie

Er is hier geen sprake van een letterlijke verplaatsing, maar de handeling is wel ergens op gericht.

Na of naar: de regel in één overzicht

BetekenisNa of naar?Voorbeeld
Later in de tijdnaNa het eten
VolgordenaB komt na A
RichtingnaarNaar links
BestemmingnaarNaar huis
Ergens op gerichtnaarKijken naar
Vaste combinatieverschiltNaar aanleiding van

De eenvoudige hoofdregel blijft dus:

Na = later / erna
Naar = richting / ergens op gericht

Maar bij vaste uitdrukkingen moet je vooral weten welke vorm bij de uitdrukking hoort.

Na huis of naar huis?

De juiste schrijfwijze is:

naar huis

Niet:

na huis

Huis is hier de bestemming. Je gaat ergens naartoe en gebruikt daarom naar.

Bijvoorbeeld:

Ik ga vanavond vroeg naar huis.
Wanneer ga je naar huis?
Na het werk rijdt hij meteen naar huis.

In de laatste zin komen beide woorden voor. Na het werk heeft betrekking op tijd en naar huis op de bestemming.

Na school of naar school?

Hier kunnen na school en naar school allebei correct zijn, maar ze betekenen iets anders.

Ik ga na school voetballen.

Dit betekent: ik ga voetballen nadat school is afgelopen.

Ik ga naar school.

Dit betekent: school is mijn bestemming.

Hetzelfde verschil zie je bij:

na het werk = nadat het werk is afgelopen
naar het werk = richting je werk

En:

na de winkel = in een volgorde nadat de winkel aan bod is gekomen
naar de winkel = de winkel is je bestemming

De betekenis van de zin bepaalt dus welke vorm je nodig hebt.

Na aanleiding of naar aanleiding?

Een bekende fout is:

na aanleiding van

De juiste uitdrukking is:

naar aanleiding van

Bijvoorbeeld:

Naar aanleiding van uw e-mail neem ik contact met u op.
Naar aanleiding van ons gesprek hebben we het voorstel aangepast.

Naar aanleiding van betekent zoiets als als gevolg van, vanwege of op grond van iets wat eerder is gebeurd of gezegd.

Hoewel een aanleiding vaak iets is wat eerder heeft plaatsgevonden, schrijf je dus niet na aanleiding van.

Meer hierover lees je in ons uitgebreide artikel over na aanleiding van of naar aanleiding van.

Na afloop of naar afloop?

Je schrijft:

na afloop

Bijvoorbeeld:

Na afloop drinken we nog iets.
U ontvangt na afloop een bevestiging.

Na afloop betekent dat iets gebeurt nadat iets anders is afgelopen. Het gaat om tijd en daarom gebruik je na.

Naar afloop is in deze betekenis niet correct.

Na verloop van tijd of naar verloop van tijd?

De correcte uitdrukking is:

na verloop van tijd

Bijvoorbeeld:

Na verloop van tijd werd het steeds makkelijker.

De uitdrukking betekent dat iets gebeurt nadat enige tijd is verstreken. Omdat het om tijd gaat, gebruik je na.

Op zoek na of op zoek naar?

Je schrijft:

op zoek naar

Bijvoorbeeld:

Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.
We zijn op zoek naar een oplossing.

Op zoek naar is een vaste combinatie. Op zoek na is niet correct.

Hetzelfde zie je bij het werkwoord zoeken:

zoeken naar informatie
zoeken naar een woning
zoeken naar een antwoord

Luisteren na of luisteren naar?

De juiste combinatie is:

luisteren naar

Bijvoorbeeld:

Ik luister naar muziek.
Zij luistert naar haar collega.

Je luistert niet na iemand, maar naar iemand of iets.

Andere veelvoorkomende combinaties zijn:

kijken naar
vragen naar
zoeken naar
verlangen naar
verwijzen naar

Van … naar of van … na?

Bij een beweging of ontwikkeling tussen twee punten gebruik je van … naar.

Bijvoorbeeld:

van Amsterdam naar Rotterdam
van links naar rechts
van klein naar groot
van beginner naar expert

Ook wanneer er geen fysieke reis plaatsvindt, gebruik je naar. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling of richting.

Een dag na of een dag naar?

Bij tijd gebruik je na:

een dag na de vergadering
twee weken na de operatie
een jaar na de verhuizing

Je geeft aan hoeveel tijd er tussen twee gebeurtenissen zit.

Vergelijk dat met:

een dagje naar Amsterdam

Hier is Amsterdam de bestemming en gebruik je dus naar.

Na mij of naar mij?

Ook na mij en naar mij kunnen allebei correct zijn. De betekenis verschilt.

Jij bent na mij aan de beurt.

Hier gaat het om volgorde.

Hij kijkt naar mij.

Hier is de handeling op mij gericht.

Nog een voorbeeld:

Wie komt na mij?
Wie luistert naar mij?

Je kunt dus niet alleen op het woord erachter afgaan. Je moet kijken naar de betekenis van de volledige zin.

Veelgemaakte fouten met na en naar

Vooral in geschreven taal worden na en naar regelmatig verwisseld.

Fout: Ik ga na huis.
Goed: Ik ga naar huis.

Fout: Na aanleiding van uw bericht.
Goed: Naar aanleiding van uw bericht.

Fout: Ik luister na muziek.
Goed: Ik luister naar muziek.

Fout: Naar afloop krijg je een bevestiging.
Goed: Na afloop krijg je een bevestiging.

Fout: Naar het eten gaan we wandelen.
Goed: Na het eten gaan we wandelen.

De betekenis maakt meestal snel duidelijk welke vorm nodig is.

Hoe weet je of je na of naar moet gebruiken?

Twijfel je? Stel jezelf dan eerst de vraag of het om tijd of volgorde gaat.

Is dat het geval? Dan gebruik je meestal na:

na het eten
na drie uur
na afloop
na mij

Gaat het om een richting, bestemming of iets waarop een handeling is gericht? Dan gebruik je meestal naar:

naar huis
naar buiten
kijken naar
luisteren naar

Bij vaste uitdrukkingen is het verstandig de combinatie als geheel te onthouden:

naar aanleiding van
op zoek naar
na afloop
na verloop van tijd

Veelgestelde vragen over na of naar

Is het na of naar huis?

Je schrijft naar huis. Huis is de bestemming: je gaat ergens naartoe.

Is het na of naar school?

Beide kunnen correct zijn. Na school betekent nadat school is afgelopen. Naar school betekent dat je richting school gaat.

Is het na of naar het werk?

Ook beide zijn mogelijk. Na het werk ga ik sporten gaat over tijd. Ik ga naar het werk gaat over een bestemming.

Is het na aanleiding of naar aanleiding?

Je schrijft naar aanleiding van. Na aanleiding van is niet correct.

Is het na afloop of naar afloop?

Je schrijft na afloop, omdat je bedoelt dat iets gebeurt nadat iets anders is afgelopen.

Is het op zoek na of naar?

De correcte uitdrukking is op zoek naar. Bijvoorbeeld: Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.

Is het luisteren na of naar?

Je schrijft luisteren naar: Ik luister naar muziek.

Is het na mij of naar mij?

Beide kunnen correct zijn. Na mij heeft betrekking op tijd of volgorde: Jij bent na mij aan de beurt. Naar mij gebruik je wanneer iets op jou gericht is: Hij kijkt naar mij.

Na of naar? Zo onthoud je het

Het belangrijkste verschil tussen na en naar zit in de betekenis.

Na gebruik je bij tijd of volgorde:

na het eten
na drie dagen
na afloop
na mij

Naar gebruik je bij richting, een bestemming of iets waarop een handeling is gericht:

naar huis
naar Amsterdam
kijken naar
luisteren naar

Een handig ezelsbruggetje is: kan je ‘erna’ of ‘later’ bedoelen, dan is het vaak na. Kan je ‘naartoe’ bedoelen, dan is het vaak naar.

Let daarnaast op vaste combinaties zoals naar aanleiding van, op zoek naar, na afloop en na verloop van tijd. Daarmee dek je eigenlijk ook precies de situaties af waarin na en naar in de praktijk het vaakst verkeerd worden gebruikt.

Ook bij andere korte woorden kan de betekenis van de zin bepalen welke vorm je nodig hebt. Zo leggen we bijvoorbeeld uit wanneer je als of dan gebruikt.

Hen of hun: wanneer gebruik je hen en wanneer hun?

Hen of hun: wanneer gebruik je hen en wanneer hun?

Is het hen of hun? Volgens de traditionele taalregel gebruik je hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Hun gebruik je als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en als bezittelijk voornaamwoord.

Een paar voorbeelden:

Ik zie hen morgen.
Ik ga met hen naar kantoor.
Ik geef hun een cadeau.
Dat is hun auto.

Twijfel je tussen hen en hun? Met een paar eenvoudige regels kun je meestal snel bepalen welke vorm je nodig hebt.

Wanneer gebruik je hen?

Je gebruikt hen in twee belangrijke situaties:

  1. Als lijdend voorwerp.
  2. Na een voorzetsel.

Hen als lijdend voorwerp

Is hen het lijdend voorwerp van de zin? Dan gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
We hebben hen uitgenodigd.
De manager bedankte hen.
Niemand kon hen bereiken.

Het gaat om de personen die de handeling rechtstreeks ondergaan.

Neem de zin:

De manager bedankte hen.

Wie bedankte de manager? Hen. Hen is hier het lijdend voorwerp.

Hen na een voorzetsel

Na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen mee.
Het cadeau is voor hen.
We praten over hen.
Zij zit naast hen.
Ik heb het aan hen gegeven.

Woorden als aan, bij, met, naar, naast, over en voor zijn voorzetsels. Staat zo’n voorzetsel ervoor? Dan is hen de veilige keuze.

Dus:

met hen
voor hen
aan hen
bij hen
over hen

En niet met hun, voor hun of aan hun wanneer hun zelfstandig naar personen verwijst.

Wanneer gebruik je hun?

Hun heeft twee belangrijke functies. Je gebruikt het als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven.

Hun als meewerkend voorwerp

Bij een meewerkend voorwerp gebruik je volgens de traditionele regel hun, zolang er geen voorzetsel voor staat.

Bijvoorbeeld:

Ik geef hun een cadeau.
Wij sturen hun de informatie.
Hij vertelde hun het nieuws.
De docent gaf hun extra uitleg.

Een handige controle is om aan hen of voor hen in de zin te zetten.

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Of:

Ik koop hun een ijsje.
Ik koop een ijsje voor hen.

Blijft de betekenis hetzelfde? Dan heb je waarschijnlijk te maken met een meewerkend voorwerp en gebruik je hun.

Hun als bezittelijk voornaamwoord

Er is nog een veelvoorkomend gebruik van hun: om aan te geven dat iets van meerdere personen is.

Bijvoorbeeld:

Dat is hun huis.
Waar staat hun auto?
Hun kinderen gaan naar dezelfde school.
Ik heb hun voorstel gelezen.

Hun is hier een bezittelijk voornaamwoord, net zoals mijn, jouw en zijn.

Een eenvoudige test is daarom:

mijn huis → hun huis
mijn auto → hun auto
mijn idee → hun idee

Kan hun op deze manier door mijn of zijn worden vervangen? Dan is hun correct.

Hen of hun: de regels in één overzicht

SituatieHen of hun?Voorbeeld
Lijdend voorwerphenIk zie hen.
Na een voorzetselhenIk ga met hen mee.
Meewerkend voorwerp zonder voorzetselhunIk geef hun een boek.
BezithunDat is hun boek.
Onderwerpgeen van beideZij komen morgen.

Vooral die laatste regel is belangrijk. Hun is in de standaardtaal geen onderwerp.

Ik geef hen of hun een cadeau?

Volgens de traditionele regel is het:

Ik geef hun een cadeau.

Hun is hier het meewerkend voorwerp. Je kunt de zin namelijk ook schrijven als:

Ik geef een cadeau aan hen.

Zodra je het voorzetsel aan daadwerkelijk in de zin zet, verandert hun dus in hen:

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Dat verschil is een handige manier om de regel te onthouden.

Ik zie hen of hun?

Correct is:

Ik zie hen.

Hen is hier het lijdend voorwerp. Je kunt niet logisch zeggen ik zie iets aan hen met dezelfde betekenis. Er is dus geen sprake van een meewerkend voorwerp.

Hetzelfde geldt voor:

Ik bel hen.
Ik ken hen.
We bezoeken hen.
Ik heb hen gesproken.

Aan hen of aan hun?

Na een voorzetsel gebruik je hen. Daarom is het:

aan hen

en niet:

aan hun

Bijvoorbeeld:

Ik heb het aan hen verteld.
De brief is aan hen gericht.

Let wel op het verschil met hun als bezittelijk voornaamwoord:

Ik geef het aan hun kinderen.

Hier hoort hun bij kinderen en betekent het dat de kinderen van hen zijn. Het is dus niet hetzelfde gebruik als in aan hen.

Voor hen of voor hun?

Wanneer je rechtstreeks naar personen verwijst, is voor hen correct:

Ik heb dit voor hen gekocht.

Maar ook hier kan hun na voor voorkomen wanneer het bezit aangeeft:

Ik heb speelgoed gekocht voor hun kinderen.

In hun kinderen is hun een bezittelijk voornaamwoord.

Het verschil is dus:

Dit cadeau is voor hen.
Dit cadeau is voor hun dochter.

Met hen of met hun?

Je schrijft:

met hen

Met is een voorzetsel en na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen op vakantie.
We hebben met hen gesproken.
Zij werkt al jaren met hen samen.

Met hun kan wel voorkomen wanneer hun bezit aangeeft en er nog een zelfstandig naamwoord achter staat:

Ik ga met hun collega in gesprek.

Hier betekent hun collega: de collega van hen.

Hen of hun bij personen?

Zowel hen als hun kunnen naar meerdere personen verwijzen. Je kiest dus niet op basis van de persoon naar wie je verwijst, maar op basis van de functie in de zin.

Vergelijk:

Ik zie hen.
Ik geef hun een boek.
Ik praat met hen.
Ik ken hun ouders.

In alle vier de zinnen wordt naar dezelfde groep mensen verwezen. Toch verandert het voornaamwoord door de grammaticale functie.

Mag je ‘ze’ gebruiken in plaats van hen of hun?

Ja. In veel zinnen kun je gewoon ze gebruiken wanneer er geen bijzondere nadruk op het woord ligt.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
Ik zie ze morgen.

En:

Ik geef hun morgen de documenten.
Ik geef ze morgen de documenten.

Vooral in gesproken taal en minder formele teksten klinkt ze vaak natuurlijker. Je hoeft dus niet iedere zin zo te construeren dat je per se tussen hen en hun moet kiezen.

Wanneer je nadruk wilt leggen op de personen, ligt hen of hun meer voor de hand:

Ik heb hen uitgenodigd, niet hun collega’s.

Is ‘hun hebben’ correct?

Nee. In de standaardtaal gebruik je hun niet als onderwerp.

Dus niet:

Hun hebben dat gedaan.
Hun komen morgen.

Maar:

Zij hebben dat gedaan.
Zij komen morgen.

In de spreektaal hoor je hun hebben regelmatig, maar in de standaardtaal geldt deze constructie als incorrect.

Waarom is het verschil tussen hen en hun zo lastig?

Het is niet vreemd dat veel mensen twijfelen. Het onderscheid tussen hen en hun is namelijk geen taalregel die vanzelf in het Nederlands is ontstaan.

De scheiding tussen beide vormen is eeuwen geleden door grammatici ingevoerd. In het dagelijkse taalgebruik zijn hen en hun vervolgens nooit overal netjes volgens die regels uit elkaar gehouden.

Daarom klinkt bijvoorbeeld:

Ik geef hun een boek.

voor sommige mensen tegenwoordig minder natuurlijk dan:

Ik geef ze een boek.

In verzorgde schrijftaal kun je de traditionele regels nog steeds prima volgen. In alledaagse taal is ze vaak een natuurlijk alternatief.

Hoe weet je of je hen of hun moet gebruiken?

Twijfel je? Loop dan deze vragen langs.

1. Staat er een voorzetsel voor?
Dan gebruik je hen.

met hen, voor hen, aan hen

2. Geeft het woord bezit aan?
Dan gebruik je hun.

hun huis, hun kinderen, hun mening

3. Is het een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel?
Dan gebruik je volgens de traditionele regel hun.

Ik geef hun een boek.

4. Is het een lijdend voorwerp?
Dan gebruik je hen.

Ik zie hen.

5. Is het het onderwerp van de zin?
Gebruik dan zij of ze, niet hun of hen.

Zij komen morgen.

Handig ezelsbruggetje voor hen of hun

Je kunt de basisregel vrij eenvoudig onthouden:

Hen = zien of na een voorzetsel
Hun = geven of bezit

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen.
Ik praat met hen.
Ik geef hun een boek.
Het is hun boek.

Vooral de test met aan hen is handig:

Ik geef hun een boek.
Ik geef een boek aan hen.

Kun je aan hen of voor hen in gedachten toevoegen en heb je te maken met een ontvanger? Dan is hun volgens de traditionele regel meestal de juiste keuze.

Veelgestelde vragen over hen of hun

Is het hen of hun ouders?

Het is hun ouders. Hun geeft hier bezit aan: het zijn de ouders van hen.

Is het voor hen of voor hun?

Wanneer je naar de personen zelf verwijst, schrijf je voor hen. Bijvoorbeeld: Dit cadeau is voor hen. In voor hun kinderen is hun wel correct, omdat hun aangeeft van wie de kinderen zijn.

Is het met hen of met hun?

Je schrijft met hen, omdat met een voorzetsel is. Bijvoorbeeld: Ik ga met hen mee.

Is het aan hen of aan hun?

Je schrijft aan hen als je naar personen verwijst: Ik geef het aan hen. Aan hun kinderen is wel mogelijk, omdat hun daar bezit aangeeft.

Is het ik geef hen of hun?

Volgens de traditionele regel is het ik geef hun wanneer hun het meewerkend voorwerp is: Ik geef hun een cadeau. Met een voorzetsel wordt het: Ik geef een cadeau aan hen.

Is het ik zie hen of hun?

Het is ik zie hen. Hen is het lijdend voorwerp van de zin.

Is ‘hun’ als onderwerp toegestaan?

Nee, niet in de standaardtaal. Je schrijft niet hun hebben gelijk, maar zij hebben gelijk.

Hen of hun? Dit moet je onthouden

Het verschil tussen hen en hun wordt een stuk eenvoudiger wanneer je eerst kijkt naar de functie van het woord in de zin.

Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel:

Ik zie hen.
Ik ga met hen mee.

Hun gebruik je volgens de traditionele regel als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven:

Ik geef hun een boek.
Dat is hun boek.

En twijfel je in een informele zin nog steeds? Dan is ze vaak een prima en natuurlijk alternatief.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.

Dit of dat: wanneer gebruik je dit en wanneer dat?

Dit of dat: wanneer gebruik je dit en wanneer dat?

Wanneer gebruik je dit en wanneer dat? Beide zijn aanwijzende voornaamwoorden en worden gebruikt bij het-woorden in het enkelvoud. Het verschil zit meestal in de afstand: dit gebruik je voor iets dichtbij en dat voor iets verder weg.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek / dat boek
  • het huis → dit huis / dat huis
  • het probleem → dit probleem / dat probleem

Bij een de-woord gebruik je niet dit of dat, maar deze of die:

  • de auto → deze auto / die auto
  • de stoel → deze stoel / die stoel

De belangrijkste regel is dus: kijk eerst of je met een de-woord of het-woord te maken hebt.

Wanneer gebruik je dit?

Je gebruikt dit bij een enkelvoudig het-woord dat dichtbij is.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek
  • het glas → dit glas
  • het huis → dit huis
  • het probleem → dit probleem

Dichtbij hoeft niet altijd letterlijk dichtbij te betekenen. Het kan ook gaan om iets dat op dit moment centraal staat.

Dit probleem moeten we eerst oplossen.

Dit onderwerp bespreken we vandaag.

Dit jaar gaan we verhuizen.

Met dit vestig je de aandacht op iets dat dichtbij is of op dat moment centraal staat.

Wanneer gebruik je dat?

Dat gebruik je eveneens bij een enkelvoudig het-woord, maar meestal wanneer iets verder weg is.

Bijvoorbeeld:

  • het huis → dat huis
  • het gebouw → dat gebouw
  • het boek → dat boek

Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

Zie je dat huis aan de overkant?

Geef mij dat boek daar eens.

Dat gebouw wordt volgend jaar gesloopt.

De afstand hoeft ook hier niet letterlijk te zijn. Je kunt dat gebruiken om terug te verwijzen naar iets wat eerder is gezegd:

We moeten morgen een uur eerder beginnen. Dat wist ik nog niet.

Dat verwijst hier naar de mededeling uit de vorige zin.

Dit of dat: de regel in één overzicht

De keuze wordt duidelijker wanneer je dit en dat samen met deze en die bekijkt.

DichtbijVerder weg
het-woordditdat
de-woorddezedie
meervouddezedie

Dus:

het boek → dit boek / dat boek
de tafel → deze tafel / die tafel
de boeken → deze boeken / die boeken

Met dit schema kun je in veel gevallen direct bepalen welk aanwijzend voornaamwoord je nodig hebt.

Dit boek of dat boek?

Dit boek en dat boek zijn allebei correct. Boek is namelijk een het-woord: het boek.

Het verschil zit in wat je bedoelt.

Dit boek wil ik kopen.

Het boek is dichtbij of staat op dat moment centraal.

Dat boek wil ik kopen.

Je wijst bijvoorbeeld naar een boek dat verderop ligt.

De keuze tussen dit en dat maak je dus pas nadat duidelijk is dat het om een het-woord gaat.

Dit huis of dat huis?

Ook hier kunnen beide vormen correct zijn, want het is het huis.

Wij wonen in dit huis.

Je hebt het over het huis waarin je je bevindt of dat op dat moment centraal staat.

Zie je dat huis daar?

Het huis bevindt zich verder weg.

Hetzelfde geldt voor andere het-woorden:

dit bedrijf / dat bedrijf
dit kind / dat kind
dit kantoor / dat kantoor
dit voorbeeld / dat voorbeeld

Dit auto of deze auto?

Hier gaat het regelmatig fout. Het is niet het auto, maar de auto.

Daarom zeg je:

deze auto
die auto

En niet:

dit auto
dat auto

Het verschil tussen dit en dat gaat dus niet alleen over afstand. Je moet ook weten of het zelfstandig naamwoord een de-woord of het-woord is.

Hoe zit het met meervoud?

Bij een meervoud gebruik je deze of die, nooit dit of dat.

Bijvoorbeeld:

dit boek → deze boeken
dat boek → die boeken

En:

dit huis → deze huizen
dat huis → die huizen

Zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud namelijk altijd de als lidwoord: de boeken, de huizen en de kinderen.

En bij verkleinwoorden?

Verkleinwoorden zijn in het Nederlands altijd het-woorden. Daarom gebruik je bij een enkelvoudig verkleinwoord dit of dat.

Bijvoorbeeld:

het huisje → dit huisje / dat huisje
het tafeltje → dit tafeltje / dat tafeltje
het meisje → dit meisje / dat meisje
het autootje → dit autootje / dat autootje

Dat levert soms een opvallend verschil op:

de tafel → deze tafel
het tafeltje → dit tafeltje

En:

de auto → deze auto
het autootje → dit autootje

Door van het woord een verkleinwoord te maken, verandert dus ook het aanwijzend voornaamwoord dat erbij hoort.

Dit of dat zonder zelfstandig naamwoord

Dit en dat kunnen ook zelfstandig worden gebruikt. Er hoeft dus niet altijd een zelfstandig naamwoord achter te staan.

Bijvoorbeeld:

Wat is dit?

Dit is mijn nieuwe telefoon.

Wat is dat?

Dat is een goed idee.

Dat wist ik niet.

In deze gevallen kunnen dit en dat verwijzen naar een voorwerp, maar ook naar een situatie, uitspraak of gedachte.

Wat is het verschil tussen ‘dit is’ en ‘dat is’?

Dit is en dat is kunnen allebei correct zijn.

Met dit is introduceer je vaak iets of vestig je ergens direct de aandacht op:

Dit is mijn nieuwe laptop.

Dit is wat ik bedoel.

Met dat is kun je iets aanwijzen dat verder weg is:

Dat is mijn auto daar.

Maar je kunt dat ook gebruiken als reactie op iets wat eerder is gezegd:

Dat is precies wat ik bedoelde.

Welke vorm je kiest, hangt dus af van de context.

Verwijzen naar iets wat eerder is gezegd

Bij een verwijzing naar een volledige zin, situatie of gedachte is het onderscheid tussen dit en dat minder zwart-wit dan bij dit boek en dat boek.

Bijvoorbeeld:

De vergadering is verplaatst naar vrijdag. Dat komt mij goed uit.

Dat verwijst naar het feit dat de vergadering is verplaatst.

Maar dit kan eveneens terugverwijzen:

De omzet is opnieuw gedaald. Dit is inmiddels het derde kwartaal op rij.

Met dit wordt de zojuist genoemde situatie nadrukkelijk centraal gesteld.

Je kunt daarom bij dit soort abstracte verwijzingen niet altijd zeggen dat één vorm goed en de andere fout is. De betekenis en context van de zin spelen mee.

Dit, dat, deze of die: hoe kies je?

Twijfel je? Kijk dan eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Is het een het-woord?

Dan gebruik je:

  • dit voor dichtbij;
  • dat voor verder weg.

Is het een de-woord?

Dan gebruik je:

  • deze voor dichtbij;
  • die voor verder weg.

Bijvoorbeeld:

het boek → dit boek / dat boek
de fiets → deze fiets / die fiets

Bij een meervoud gebruik je eveneens deze of die:

de boeken → deze boeken / die boeken

Veelgestelde vragen over dit of dat

Is het dit of dat boek?

Beide zijn correct. Boek is een het-woord. Gebruik dit boek voor een boek dichtbij en dat boek voor een boek verder weg.

Is het dit of deze?

Dat hangt af van het zelfstandig naamwoord. Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dit: dit boek. Bij een de-woord gebruik je deze: deze tafel.

Is het dat of die?

Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dat: dat huis. Bij een de-woord gebruik je die: die auto. Ook bij een meervoud gebruik je die: die huizen.

Is het dit meisje of deze meisje?

Het is dit meisje. Meisje is een verkleinwoord en daardoor een het-woord: het meisje. Daarom gebruik je dit of dat.

Is het dit probleem of dat probleem?

Beide zijn correct. Het is het probleem. Gebruik dit probleem wanneer het dichtbij of centraal staat en dat probleem wanneer het verder weg staat of wanneer je er bijvoorbeeld naar terugverwijst.

Gebruik je dit en dat alleen voor dingen?

Nee. Dit en dat kunnen ook verwijzen naar een gebeurtenis, situatie, uitspraak of gedachte. Denk bijvoorbeeld aan: Dat wist ik niet of Dit is belangrijk.

Kan je dit en dat door elkaar gebruiken?

Niet altijd. Bij een concreet zelfstandig naamwoord geeft dit normaal gesproken nabijheid aan en dat juist meer afstand. Bij abstracte verwijzingen kan de context meer invloed hebben op welke vorm het natuurlijkst is.

Dit of dat? Zo onthoud je het

De belangrijkste regel is dus niet alleen dit = dichtbij en dat = verder weg. Kijk eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Voor het-woorden geldt:

dit = dichtbij
dat = verder weg

Voor de-woorden geldt:

deze = dichtbij
die = verder weg

Dus: dit boek, dat boek, deze tafel en die tafel.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.

Kerstpakket als relatiegeschenk voor klanten: hoe zorg je dat het blijft hangen

Kerstpakket als relatiegeschenk voor klanten: hoe zorg je dat het blijft hangen

Vaak belanden relatiegeschenken na een tijdje in de la. Dit geldt voor kerstpakketten net zo goed als voor andere relatiegeschenken. Als mkb’er met beperkt budget is het zonde wanneer je geschenk geen impact maakt op de ontvanger. Wat is nou de juiste aanpak om van een kerstpakket een relatiegeschenk te maken dat blijft hangen?

Waarom een kerstpakket meer is dan een eindejaarsgebaar 

Een kerstpakket wordt al snel gezien als een verplicht nummertje aan het einde van het jaar. Daarentegen kan een goed gekozen kerstpakket juist een mooi merkmoment zijn. De ontvanger verwacht hoogstwaarschijnlijk al een kerstpakket, wat juist een kans biedt om diegene te verrassen. Geef je pakket een net wat andere invulling. Dit biedt vooral kansen voor mkb’ers: zo kunnen ze met een kleiner budget toch persoonlijk overkomen. 

Zo kies je het juiste moment en de juiste invulling 

Niet elk moment leent zich even goed om een kerstpakket als relatiegeschenk in te zetten. Er bestaat onderscheid tussen een relatiegeschenk voor bestaande klanten en een relatiegeschenk voor nieuwe of potentiële klanten. Bij bestaande klanten wil je de waardering benadrukken terwijl het bij de nieuwe of potentiële klanten draait om opvallen en een goede eerste indruk achterlaten. Kies voor de invulling van de doos een thema dat iets zegt over je bedrijf. Wil je extra opvallen? Maak gebruik van personalisatie: een naam, logo of persoonlijk kaartje maakt al veel verschil. Een goed voorbeeld van een kerstpakket dat opvalt door zijn invulling is het kerstpakket pizzarette, waarmee je in plaats van losse producten een compleet moment cadeau doet. 

Zo weet je of het pakket zijn werk doet 

Bij een relatiegeschenk is het effect niet in euro’s uit te drukken, maar dat betekent niet dat je niets kunt merken. Houd je ogen en oren open, want een reactie kan op allerlei manieren komen: via een foto op social media, een bedankje per mail of app, of gewoon een spontane opmerking tijdens een volgend contactmoment. Je kunt ook een reactie uitlokken door bijvoorbeeld een persoonlijk kaartje toe te voegen met een korte, oprechte boodschap in plaats van een standaard kerstkaart. Bij dit soort geschenken gaat het meer om de indruk die achterblijft dan om een meetbaar resultaat.

Een kerstpakket werkt pas echt als relatiegeschenk zodra je het bewust inzet. Met een origineel kerstpakket en een persoonlijke touch laat je zien dat je de ontvanger écht waardeert. En juist dat maakt het verschil: een geschenk dat niet alleen leuk is om te krijgen, maar ook nog even bijblijft.

Meer zelfstandigheid bij het gebruik van gedeelde middelen

Meer zelfstandigheid bij het gebruik van gedeelde middelen

In veel organisaties zijn medewerkers voor hun dagelijkse werkzaamheden afhankelijk van gedeelde apparatuur. Een laptop voor een presentatie, een scanner voor een magazijnronde of een toegangspas voor een specifieke ruimte: het juiste middel moet op het juiste moment beschikbaar zijn. Wanneer de uitgifte via een beheerder, receptie of servicedesk verloopt, kan dit echter voor onnodige tussenstappen zorgen.

Steeds meer organisaties zoeken daarom naar manieren om medewerkers zelfstandiger toegang te geven tot gedeelde middelen. Elektronische lockers kunnen hierbij een belangrijke rol spelen. Ze maken het mogelijk om apparatuur op een centrale plek beschikbaar te stellen zonder dat voor iedere uitgifte een medewerker aanwezig hoeft te zijn.

Zelfservice maakt uitgifte eenvoudiger

Bij een traditionele uitgifte meldt een medewerker zich vaak eerst bij een balie of verantwoordelijke collega. Vervolgens moet worden gecontroleerd welk middel nodig is, of het beschikbaar is en wie het meeneemt. Bij het terugbrengen volgt hetzelfde proces opnieuw.

Met een elektronisch lockersysteem kan een groot deel van deze stappen worden geautomatiseerd. Een bevoegde gebruiker identificeert zich en krijgt toegang tot het toegewezen lockervak. De uitgifte wordt digitaal geregistreerd en na gebruik kan het middel via dezelfde werkwijze worden teruggebracht.

Hierdoor ontstaat een vorm van zelfservice die zowel medewerkers als beheerders meer vrijheid geeft.

Ook praktisch bij wisselende werktijden

Niet iedere organisatie werkt volgens vaste kantoortijden. Denk bijvoorbeeld aan productiebedrijven met ploegendiensten, zorginstellingen waar medewerkers dag en nacht actief zijn of organisaties met buitendienstmedewerkers die vroeg vertrekken.

Wanneer gedeelde apparatuur alleen tijdens openingstijden van een balie kan worden opgehaald, kan dat een beperking vormen. Een elektronisch lockersysteem maakt de beschikbaarheid van middelen minder afhankelijk van de aanwezigheid van een beheerder.

Dit kan verschillende voordelen opleveren:

  • Medewerkers kunnen zelfstandiger hun werkzaamheden starten.
  • Uitgifte hoeft niet altijd via een centrale balie te verlopen.
  • Piekmomenten rondom het begin en einde van diensten kunnen worden verminderd.
  • Beheerders zijn minder tijd kwijt aan routinematige overdrachten.
  • Middelen hebben een vaste en herkenbare opslaglocatie.
  • De uitgifte wordt consequent digitaal vastgelegd.

Duidelijke processen tussen gebruikers

Zelfservice betekent niet dat iedereen automatisch overal toegang toe krijgt. Juist bij gedeelde middelen is het belangrijk dat duidelijk is welke gebruikers bepaalde apparatuur mogen meenemen.

Afhankelijk van de inrichting kunnen toegangsrechten worden afgestemd op bijvoorbeeld een medewerker, afdeling of functie. Zo kan een technisch team toegang krijgen tot specifieke meetapparatuur, terwijl andere medewerkers alleen gebruikmaken van algemene hulpmiddelen.

Een vaste digitale werkwijze helpt bovendien om verschillen tussen afdelingen of locaties te verkleinen. In plaats van verschillende lijsten, sleutelafspraken of lokale procedures ontstaat één herkenbaar proces voor het ophalen en terugbrengen van middelen.

Van uitgiftepunt naar beschikbaarheidspunt

Een locker hoeft daarmee niet alleen te worden gezien als een plek waar spullen veilig worden opgeborgen. Binnen de organisatie kan het juist functioneren als een centraal beschikbaarheidspunt voor middelen die gedurende de werkdag door verschillende mensen worden gebruikt.

Dat is bijvoorbeeld interessant voor laptops, tablets, scanners, gereedschappen, sleutels en toegangspassen. Medewerkers weten waar zij terechtkunnen en beheerders hoeven niet iedere overdracht persoonlijk te begeleiden.

Voor organisaties met meerdere teams, flexibele werktijden of veel gedeelde apparatuur kan dit bijdragen aan een soepeler dagelijks proces.

Meer vrijheid zonder het overzicht te verliezen

Efficiënt middelenbeheer hoeft niet te betekenen dat er meer administratie nodig is. Door uitgifte en inname op een vaste manier te organiseren, kunnen medewerkers juist meer verantwoordelijkheid krijgen voor het zelfstandig ophalen en retourneren van de middelen die zij gebruiken.

De elektronische lockers van Nauta Connect ondersteunen deze manier van werken door opslag, toegang en registratie samen te brengen. Zo ontstaat een praktische selfservice-oplossing waarmee medewerkers gemakkelijker toegang krijgen tot gedeelde bedrijfsmiddelen en beheerders minder afhankelijk zijn van handmatige uitgiftemomenten.