Selecteer een pagina

Dit of dat: wanneer gebruik je dit en wanneer dat?

Wanneer gebruik je dit en wanneer dat? Beide zijn aanwijzende voornaamwoorden en worden gebruikt bij het-woorden in het enkelvoud. Het verschil zit meestal in de afstand: dit gebruik je voor iets dichtbij en dat voor iets verder weg.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek / dat boek
  • het huis → dit huis / dat huis
  • het probleem → dit probleem / dat probleem

Bij een de-woord gebruik je niet dit of dat, maar deze of die:

  • de auto → deze auto / die auto
  • de stoel → deze stoel / die stoel

De belangrijkste regel is dus: kijk eerst of je met een de-woord of het-woord te maken hebt.

Wanneer gebruik je dit?

Je gebruikt dit bij een enkelvoudig het-woord dat dichtbij is.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek
  • het glas → dit glas
  • het huis → dit huis
  • het probleem → dit probleem

Dichtbij hoeft niet altijd letterlijk dichtbij te betekenen. Het kan ook gaan om iets dat op dit moment centraal staat.

Dit probleem moeten we eerst oplossen.

Dit onderwerp bespreken we vandaag.

Dit jaar gaan we verhuizen.

Met dit vestig je de aandacht op iets dat dichtbij is of op dat moment centraal staat.

Wanneer gebruik je dat?

Dat gebruik je eveneens bij een enkelvoudig het-woord, maar meestal wanneer iets verder weg is.

Bijvoorbeeld:

  • het huis → dat huis
  • het gebouw → dat gebouw
  • het boek → dat boek

Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

Zie je dat huis aan de overkant?

Geef mij dat boek daar eens.

Dat gebouw wordt volgend jaar gesloopt.

De afstand hoeft ook hier niet letterlijk te zijn. Je kunt dat gebruiken om terug te verwijzen naar iets wat eerder is gezegd:

We moeten morgen een uur eerder beginnen. Dat wist ik nog niet.

Dat verwijst hier naar de mededeling uit de vorige zin.

Dit of dat: de regel in één overzicht

De keuze wordt duidelijker wanneer je dit en dat samen met deze en die bekijkt.

DichtbijVerder weg
het-woordditdat
de-woorddezedie
meervouddezedie

Dus:

het boek → dit boek / dat boek
de tafel → deze tafel / die tafel
de boeken → deze boeken / die boeken

Met dit schema kun je in veel gevallen direct bepalen welk aanwijzend voornaamwoord je nodig hebt.

Dit boek of dat boek?

Dit boek en dat boek zijn allebei correct. Boek is namelijk een het-woord: het boek.

Het verschil zit in wat je bedoelt.

Dit boek wil ik kopen.

Het boek is dichtbij of staat op dat moment centraal.

Dat boek wil ik kopen.

Je wijst bijvoorbeeld naar een boek dat verderop ligt.

De keuze tussen dit en dat maak je dus pas nadat duidelijk is dat het om een het-woord gaat.

Dit huis of dat huis?

Ook hier kunnen beide vormen correct zijn, want het is het huis.

Wij wonen in dit huis.

Je hebt het over het huis waarin je je bevindt of dat op dat moment centraal staat.

Zie je dat huis daar?

Het huis bevindt zich verder weg.

Hetzelfde geldt voor andere het-woorden:

dit bedrijf / dat bedrijf
dit kind / dat kind
dit kantoor / dat kantoor
dit voorbeeld / dat voorbeeld

Dit auto of deze auto?

Hier gaat het regelmatig fout. Het is niet het auto, maar de auto.

Daarom zeg je:

deze auto
die auto

En niet:

dit auto
dat auto

Het verschil tussen dit en dat gaat dus niet alleen over afstand. Je moet ook weten of het zelfstandig naamwoord een de-woord of het-woord is.

Hoe zit het met meervoud?

Bij een meervoud gebruik je deze of die, nooit dit of dat.

Bijvoorbeeld:

dit boek → deze boeken
dat boek → die boeken

En:

dit huis → deze huizen
dat huis → die huizen

Zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud namelijk altijd de als lidwoord: de boeken, de huizen en de kinderen.

En bij verkleinwoorden?

Verkleinwoorden zijn in het Nederlands altijd het-woorden. Daarom gebruik je bij een enkelvoudig verkleinwoord dit of dat.

Bijvoorbeeld:

het huisje → dit huisje / dat huisje
het tafeltje → dit tafeltje / dat tafeltje
het meisje → dit meisje / dat meisje
het autootje → dit autootje / dat autootje

Dat levert soms een opvallend verschil op:

de tafel → deze tafel
het tafeltje → dit tafeltje

En:

de auto → deze auto
het autootje → dit autootje

Door van het woord een verkleinwoord te maken, verandert dus ook het aanwijzend voornaamwoord dat erbij hoort.

Dit of dat zonder zelfstandig naamwoord

Dit en dat kunnen ook zelfstandig worden gebruikt. Er hoeft dus niet altijd een zelfstandig naamwoord achter te staan.

Bijvoorbeeld:

Wat is dit?

Dit is mijn nieuwe telefoon.

Wat is dat?

Dat is een goed idee.

Dat wist ik niet.

In deze gevallen kunnen dit en dat verwijzen naar een voorwerp, maar ook naar een situatie, uitspraak of gedachte.

Wat is het verschil tussen ‘dit is’ en ‘dat is’?

Dit is en dat is kunnen allebei correct zijn.

Met dit is introduceer je vaak iets of vestig je ergens direct de aandacht op:

Dit is mijn nieuwe laptop.

Dit is wat ik bedoel.

Met dat is kun je iets aanwijzen dat verder weg is:

Dat is mijn auto daar.

Maar je kunt dat ook gebruiken als reactie op iets wat eerder is gezegd:

Dat is precies wat ik bedoelde.

Welke vorm je kiest, hangt dus af van de context.

Verwijzen naar iets wat eerder is gezegd

Bij een verwijzing naar een volledige zin, situatie of gedachte is het onderscheid tussen dit en dat minder zwart-wit dan bij dit boek en dat boek.

Bijvoorbeeld:

De vergadering is verplaatst naar vrijdag. Dat komt mij goed uit.

Dat verwijst naar het feit dat de vergadering is verplaatst.

Maar dit kan eveneens terugverwijzen:

De omzet is opnieuw gedaald. Dit is inmiddels het derde kwartaal op rij.

Met dit wordt de zojuist genoemde situatie nadrukkelijk centraal gesteld.

Je kunt daarom bij dit soort abstracte verwijzingen niet altijd zeggen dat één vorm goed en de andere fout is. De betekenis en context van de zin spelen mee.

Dit, dat, deze of die: hoe kies je?

Twijfel je? Kijk dan eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Is het een het-woord?

Dan gebruik je:

  • dit voor dichtbij;
  • dat voor verder weg.

Is het een de-woord?

Dan gebruik je:

  • deze voor dichtbij;
  • die voor verder weg.

Bijvoorbeeld:

het boek → dit boek / dat boek
de fiets → deze fiets / die fiets

Bij een meervoud gebruik je eveneens deze of die:

de boeken → deze boeken / die boeken

Veelgestelde vragen over dit of dat

Is het dit of dat boek?

Beide zijn correct. Boek is een het-woord. Gebruik dit boek voor een boek dichtbij en dat boek voor een boek verder weg.

Is het dit of deze?

Dat hangt af van het zelfstandig naamwoord. Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dit: dit boek. Bij een de-woord gebruik je deze: deze tafel.

Is het dat of die?

Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dat: dat huis. Bij een de-woord gebruik je die: die auto. Ook bij een meervoud gebruik je die: die huizen.

Is het dit meisje of deze meisje?

Het is dit meisje. Meisje is een verkleinwoord en daardoor een het-woord: het meisje. Daarom gebruik je dit of dat.

Is het dit probleem of dat probleem?

Beide zijn correct. Het is het probleem. Gebruik dit probleem wanneer het dichtbij of centraal staat en dat probleem wanneer het verder weg staat of wanneer je er bijvoorbeeld naar terugverwijst.

Gebruik je dit en dat alleen voor dingen?

Nee. Dit en dat kunnen ook verwijzen naar een gebeurtenis, situatie, uitspraak of gedachte. Denk bijvoorbeeld aan: Dat wist ik niet of Dit is belangrijk.

Kan je dit en dat door elkaar gebruiken?

Niet altijd. Bij een concreet zelfstandig naamwoord geeft dit normaal gesproken nabijheid aan en dat juist meer afstand. Bij abstracte verwijzingen kan de context meer invloed hebben op welke vorm het natuurlijkst is.

Dit of dat? Zo onthoud je het

De belangrijkste regel is dus niet alleen dit = dichtbij en dat = verder weg. Kijk eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Voor het-woorden geldt:

dit = dichtbij
dat = verder weg

Voor de-woorden geldt:

deze = dichtbij
die = verder weg

Dus: dit boek, dat boek, deze tafel en die tafel.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.