Selecteer een pagina
Als of dan: wanneer gebruik je als en wanneer dan?

Als of dan: wanneer gebruik je als en wanneer dan?

Ja. Deze kan inhoudelijk ook een stuk sterker. Vooral dan ik / dan mij, even groot als, anders dan, de vergrotende trap en de nuance dat groter als in spreektaal voorkomt maar in de standaardtaal groter dan de veilige keuze is, horen er echt bij.

Ik zou hem zo vervangen:

Als of dan: wanneer gebruik je als en wanneer dan?

Is het als of dan? De hoofdregel is eenvoudig: bij een verschil gebruik je dan en bij een gelijkheid gebruik je als.

Hij is groter dan ik.
Zij is net zo groot als ik.

Woorden als groter, beter, sneller en meer wijzen meestal op een verschil en krijgen daarom dan. Bij woorden als even, hetzelfde en net zo gebruik je als.

Toch zijn er een paar situaties waarin de keuze minder vanzelfsprekend is. Hieronder leggen we de belangrijkste regels uit.

Wanneer gebruik je dan?

Je gebruikt dan wanneer twee personen, dingen of situaties met elkaar worden vergeleken en er sprake is van een verschil.

Bijvoorbeeld:

Hij is langer dan zijn broer.
Deze laptop is goedkoper dan die andere.
Zij werkt sneller dan haar collega.
Vandaag is het warmer dan gisteren.

Je ziet in deze voorbeelden steeds een vergrotende trap: langer, goedkoper, sneller en warmer.

Daar hoort dan bij.

Wanneer gebruik je als?

Je gebruikt als bij een vergelijking waarin juist sprake is van gelijkheid.

Bijvoorbeeld:

Hij is even lang als zijn broer.
Deze laptop is net zo duur als die andere.
Zij werkt even snel als haar collega.
Vandaag is het net zo warm als gisteren.

Signaalwoorden zijn onder andere even, evenveel, hetzelfde en net zo.

even groot als
net zo snel als
evenveel werk als

Als of dan: de regel in één overzicht

SituatieAls of dan?Voorbeeld
OngelijkheiddanHij is groter dan ik.
Vergrotende trapdanZij is sneller dan haar collega.
Meer/minderdanIk heb meer werk dan gisteren.
GelijkheidalsHij is even groot als ik.
Net zoalsZij is net zo snel als haar collega.
EvenveelalsIk heb evenveel werk als gisteren.

Een handig ezelsbruggetje is daarom:

Verschil = dan
Gelijk = als

Groter als of groter dan?

De juiste vorm in de standaardtaal is:

groter dan

En niet:

groter als

Groter is de vergrotende trap van groot. Er is dus sprake van een verschil tussen twee zaken.

Bijvoorbeeld:

Nederland is groter dan België.
Mijn nieuwe woning is groter dan mijn vorige woning.
Het verschil is groter dan verwacht.

Hetzelfde geldt voor andere vergrotende trappen:

beter dan
sneller dan
kleiner dan
ouder dan
duurder dan
mooier dan

Beter als of beter dan?

Je schrijft beter dan.

Dit werkt beter dan de vorige oplossing.
Zij kan beter schrijven dan ik.

Beter is de vergrotende trap van goed. Daarom gebruik je bij een vergelijking dan.

Ook bij best kom je dan tegen in constructies als:

Het resultaat was beter dan verwacht.

Meer als of meer dan?

Ook bij meer gebruik je dan wanneer er sprake is van een verschil:

Er kwamen meer bezoekers dan vorig jaar.
Het kost meer dan honderd euro.
Zij heeft meer ervaring dan haar collega.

Hetzelfde geldt voor minder:

We hebben minder tijd dan gisteren.
Hij verdient minder dan zijn collega.

Bij gelijkheid wordt het weer als:

We hebben evenveel tijd als gisteren.

Even groot dan of even groot als?

Je schrijft:

even groot als

Even geeft hier aan dat twee dingen gelijk aan elkaar zijn.

Dus:

Hij is even groot als ik.
Deze woning is even duur als die andere.
Zij loopt even snel als haar broer.

Ook bij net zo gebruik je als:

Zij is net zo oud als ik.
Dit product is net zo goed als het vorige.

Hetzelfde als of hetzelfde dan?

De correcte combinatie is doorgaans hetzelfde als.

Bijvoorbeeld:

Ik heb hetzelfde probleem als jij.
Hij draagt dezelfde jas als gisteren.
We betalen hetzelfde bedrag als vorig jaar.

Er wordt een overeenkomst aangegeven en geen verschil. Daarom gebruik je hier als.

Anders als of anders dan?

Je schrijft in de standaardtaal:

anders dan

Bijvoorbeeld:

Het resultaat was anders dan verwacht.
Zij denkt daar anders over dan ik.
De situatie is anders dan vorig jaar.

Het woord anders geeft al aan dat er een verschil bestaat. Daarom past dan hierbij.

Is het dan ik of dan mij?

Naast als of dan zorgt ook de keuze tussen ik en mij regelmatig voor twijfel.

Neem:

Hij is groter dan ik.

Dit kun je aanvullen tot:

Hij is groter dan ik ben.

Daarom gebruik je ik.

Maar kijk naar:

Hij vertrouwt jou meer dan mij.

Deze zin kan betekenen:

Hij vertrouwt jou meer dan hij mij vertrouwt.

Mij is dan correct.

De keuze tussen ik en mij hangt dus af van de functie die het woord in de weggelaten rest van de zin zou hebben.

Hij is groter dan mij of groter dan ik?

In een zin als:

Hij is groter dan …

is ik de traditionele standaardvorm.

De volledige vergelijking luidt namelijk:

Hij is groter dan ik ben.

Daarom schrijf je in verzorgde schrijftaal:

Hij is groter dan ik.

In de spreektaal hoor je groter dan mij heel vaak. Wil je de traditionele grammaticale regel volgen, dan kies je hier voor dan ik.

Hetzelfde geldt voor:

Zij is ouder dan ik.
Hij werkt sneller dan ik.
Jij bent langer dan hij.

Je kunt telkens het werkwoord aanvullen: dan ik ben, dan ik werk en dan hij is.

Als ik of als mij?

Dezelfde vraag kan bij als ontstaan:

Zij is even oud als ik.

Dat is correct, want de volledige zin is:

Zij is even oud als ik ben.

Maar ook hier bepaalt de functie in de volledige zin welke vorm nodig is. Je kunt dus niet simpelweg zeggen dat na als altijd ik of altijd mij moet staan.

Waarom zeggen mensen ‘groter als’?

In de spreektaal worden als en dan regelmatig door elkaar gebruikt. Daardoor klinkt groter als voor veel mensen helemaal niet vreemd.

In de standaardtaal wordt bij een ongelijke vergelijking echter onderscheid gemaakt:

groter dan
sneller dan
beter dan

Bij een gelijke vergelijking gebruik je:

even groot als
net zo snel als
even goed als

Voor een zakelijke tekst, sollicitatiebrief, website of andere verzorgde tekst is het daarom verstandig dit onderscheid aan te houden.

Dan en als hebben ook andere betekenissen

Als en dan worden niet alleen gebruikt om vergelijkingen te maken.

Als kan bijvoorbeeld een voorwaarde aangeven:

Als het morgen regent, blijven we thuis.

Of een moment:

Bel me als je thuis bent.

Dan kan naar een moment of gevolg verwijzen:

Eerst maken we dit af, dan gaan we naar huis.

Of:

Als het regent, dan blijven we binnen.

De regel gelijkheid = als, verschil = dan geldt dus specifiek wanneer als en dan onderdeel zijn van een vergelijking.

Hoe weet je of je als of dan moet gebruiken?

Kijk eerst of er sprake is van een vergelijking. Is dat het geval? Zoek dan naar woorden die aangeven of twee zaken gelijk of verschillend zijn.

Zie je een vergrotende trap zoals:

groter
beter
sneller
duurder
jonger

Dan gebruik je meestal dan.

Zie je:

even
evenveel
net zo
hetzelfde

Dan gebruik je meestal als.

Zo kun je in de meeste zinnen snel bepalen welke vorm correct is.

Veelgestelde vragen over als of dan

Is het groter als of groter dan?

In de standaardtaal is groter dan correct. Groter is een vergrotende trap en geeft een verschil aan.

Is het beter als of beter dan?

Je schrijft beter dan: Dit resultaat is beter dan het vorige.

Is het meer als of meer dan?

Bij een vergelijking schrijf je meer dan. Bijvoorbeeld: We hebben meer klanten dan vorig jaar.

Is het even groot als of even groot dan?

Je schrijft even groot als. Even geeft aan dat twee dingen gelijk aan elkaar zijn.

Is het net zo goed als of net zo goed dan?

Net zo goed als is correct. Net zo geeft gelijkheid aan en wordt daarom gecombineerd met als.

Is het anders als of anders dan?

In de standaardtaal gebruik je anders dan. Bijvoorbeeld: Het liep anders dan verwacht.

Is het groter dan ik of groter dan mij?

In een zin als hij is groter dan … is dan ik de traditionele standaardvorm. Je kunt de zin namelijk aanvullen tot hij is groter dan ik ben.

Is ‘groter als’ fout?

In de spreektaal komt groter als veel voor. In de standaardtaal wordt bij een ongelijke vergelijking dan gebruikt: groter dan. Voor verzorgde schrijftaal is dat daarom de vorm die je het beste kunt aanhouden.

Als of dan? Zo onthoud je het

Twijfel je tussen als of dan, kijk dan eerst of er sprake is van gelijkheid of verschil.

Verschil = dan
groter dan
beter dan
meer dan

Gelijk = als
even groot als
net zo goed als
evenveel als

Met die regel heb je het in verreweg de meeste vergelijkingen goed.

Twijfel je vaker over Nederlandse grammatica en spelling? Bekijk dan ook ons overzicht met veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal of lees verder over dit of dat.

Ergeren of irriteren: wat is het verschil en wanneer gebruik je welk werkwoord?

Ergeren of irriteren: wat is het verschil en wanneer gebruik je welk werkwoord?

“Ergeren” gebruik je met “zich”, “irriteren” kan met én zonder “zich”.
Deze twee woorden betekenen ongeveer hetzelfde, maar worden grammaticaal anders gebruikt. Juist daar gaat het vaak mis, vooral in spreektaal.

Wat betekent “ergeren”?

“Ergeren” betekent dat iemand zich stoorErgeren of irriteren: wat is het verschil?

Ergeren en irriteren betekenen ongeveer hetzelfde, maar je gebruikt ze niet altijd op dezelfde manier. Je kunt zeggen ‘ik erger me aan iets’ en ‘iets ergert mij’. Bij irriteren is volgens de taalnorm alleen de tweede constructie correct: ‘iets irriteert mij’.

Vergelijk:

Ik erger me aan het lawaai.
Het lawaai ergert mij.
Het lawaai irriteert mij.

De veelgehoorde zin ‘ik irriteer me aan het lawaai’ geldt in de standaardtaal nog altijd als onjuist.

Wat betekent ergeren?

Ergeren betekent dat iemand ergens hinder, irritatie of ergernis door ervaart.

Het werkwoord kan op twee manieren worden gebruikt.

Je kunt zeggen:

Zijn gedrag ergert mij.
Het lawaai ergert haar.
Die vertraging ergert ons.

Maar ergeren kan ook wederkerend worden gebruikt:

Ik erger me aan zijn gedrag.
Zij ergert zich aan het lawaai.
Wij ergeren ons aan de vertraging.

Beide constructies zijn correct.

Wat betekent irriteren?

Irriteren betekent onder andere dat iets iemand hindert, ergert of prikkelt.

Bijvoorbeeld:

Zijn gedrag irriteert mij.
Het geluid irriteert haar.
Die fout irriteert hem.
Het irriteert me dat hij steeds te laat komt.

Degene die de irritatie veroorzaakt, staat hier dus centraal.

Vergelijk:

Het lawaai irriteert mij.

Met:

Ik erger me aan het lawaai.

De betekenis is vrijwel hetzelfde, maar de zin is anders opgebouwd.

Ergeren of irriteren: de regel in één overzicht

ConstructieCorrect?
Ik erger me aan het lawaai.Ja
Het lawaai ergert mij.Ja
Het lawaai irriteert mij.Ja
Ik irriteer me aan het lawaai.Nee, niet volgens de standaardtaal
Zij ergert zich aan hem.Ja
Zij irriteert zich aan hem.Nee, niet volgens de standaardtaal

Het belangrijkste verschil is dus dat ergeren wederkerend kan worden gebruikt en irriteren volgens de taalnorm niet.

Ik erger me of ik irriteer me?

Correct is:

Ik erger me.

Bijvoorbeeld:

Ik erger me aan zijn gedrag.
Ik erger me aan die reclame.
Ik erger me aan mensen die voordringen.

De constructie:

Ik irriteer me aan zijn gedrag.

hoor je in de praktijk ontzettend vaak. Toch wordt deze vorm in de standaardtaal nog als onjuist beschouwd.

Je kunt de zin op twee manieren verbeteren:

Ik erger me aan zijn gedrag.

Of:

Zijn gedrag irriteert mij.

Ik erger mij aan of ik irriteer mij aan?

Ook wanneer je mij in plaats van me gebruikt, verandert de regel niet.

Correct is:

Ik erger mij aan zijn gedrag.

Niet:

Ik irriteer mij aan zijn gedrag.

Wil je irriteren gebruiken, dan draai je de zin om:

Zijn gedrag irriteert mij.

Dat ergert mij: is dat correct?

Ja. ‘Dat ergert mij’ is gewoon correct.

Dit is een belangrijk punt, omdat soms wordt gedacht dat ergeren altijd samen met zich moet worden gebruikt. Dat is niet zo.

Je kunt zeggen:

Dat ergert mij.
Zijn houding ergert haar.
De fout ergerde hem enorm.

Maar ook:

Ik erger me aan dat gedrag.
Zij ergert zich aan zijn houding.
Hij ergerde zich aan de fout.

Bij ergeren zijn dus beide constructies mogelijk.

Dat irriteert mij: is dat correct?

Ja. Dit is juist de normale manier om irriteren te gebruiken wanneer je bedoelt dat iets ergernis veroorzaakt.

Bijvoorbeeld:

Dat irriteert mij.
Zijn gedrag irriteert me.
Het irriteert haar dat niemand luistert.
Die piepende deur irriteert hem.

Je kunt het onderwerp zien als de veroorzaker van de irritatie.

Het geluid → irriteert → mij.

Zich ergeren aan of zich irriteren aan?

Volgens de standaardtaal schrijf je:

zich ergeren aan

Bijvoorbeeld:

Hij ergert zich aan het lawaai.
Zij ergert zich aan haar collega.
Mensen ergeren zich aan lange wachttijden.

Zich irriteren aan wordt veel gebruikt, maar geldt volgens de taalnorm niet als correct.

Dus niet:

Hij irriteert zich aan het lawaai.

Maar:

Hij ergert zich aan het lawaai.

Of:

Het lawaai irriteert hem.

Waarom is ‘ik irriteer me aan’ niet correct?

De verwarring is gemakkelijk te verklaren. Ergeren en irriteren liggen qua betekenis heel dicht bij elkaar.

Daardoor worden twee correcte constructies met elkaar vermengd:

Ik erger me aan het lawaai.
Het lawaai irriteert mij.

Daaruit ontstaat:

Ik irriteer me aan het lawaai.

Dit wordt ook wel gezien als een vermenging van beide constructies.

Omdat ik irriteer me aan in de spreektaal zeer veel voorkomt, klinkt de zin voor veel mensen inmiddels heel normaal. In verzorgde schrijftaal kun je hem beter vermijden.

Irriteren heeft ook een andere betekenis

Irriteren wordt niet alleen gebruikt voor ergernis. Het kan ook betekenen dat iets lichamelijk prikkelt of irriteert.

Bijvoorbeeld:

Deze zeep irriteert mijn huid.
De rook irriteert mijn ogen.
Het materiaal kan de huid irriteren.

In deze betekenis kun je irriteren niet zomaar vervangen door ergeren.

Deze crème irriteert mijn huid.

betekent iets anders dan:

Deze crème ergert mij.

In het eerste geval veroorzaakt de crème een lichamelijke reactie. In het tweede geval vind je de crème vervelend.

Ergeren, irriteren of storen?

Er is nog een werkwoord dat vaak in dezelfde context wordt gebruikt: storen.

Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

Ik erger me aan zijn gedrag.
Ik stoor me aan zijn gedrag.
Zijn gedrag irriteert mij.

De precieze gevoelswaarde kan verschillen, maar alle drie kunnen aangeven dat je iets vervelend vindt.

Zich storen aan is daardoor ook een handig alternatief wanneer je twijfelt:

Ik stoor me aan het lawaai.

Veelgemaakte fouten met ergeren en irriteren

De bekendste fout is:

Ik irriteer me aan zijn gedrag.

Volgens de standaardtaal wordt dat:

Ik erger me aan zijn gedrag.

Of:

Zijn gedrag irriteert mij.

Een andere misvatting is dat ergeren altijd wederkerend moet worden gebruikt:

Dat ergert mij.

Deze zin is wél correct.

Ook het volgende is dus goed:

Het ergert me dat hij nooit op tijd komt.

Je hoeft hier niet te schrijven:

Ik erger me eraan dat hij nooit op tijd komt.

Hoewel ook die constructie mogelijk is.

Hoe onthoud je het verschil tussen ergeren en irriteren?

Een eenvoudig geheugensteuntje is:

Ik erger me aan iets.
Iets irriteert mij.

Bijvoorbeeld:

Ik erger me aan die reclame.
Die reclame irriteert mij.

Wil je ergeren gebruiken? Dan heb je meer mogelijkheden:

Die reclame ergert mij.
Ik erger me aan die reclame.

Met irriteren houd je voor verzorgde schrijftaal het beste deze constructie aan:

Die reclame irriteert mij.

Veelgestelde vragen over ergeren of irriteren

Is ‘ik irriteer me’ correct?

Volgens de huidige taalnorm niet. Je schrijft ik erger me aan iets of iets irriteert mij.

Is ‘ik erger me’ correct?

Ja. Bijvoorbeeld: Ik erger me aan het lawaai.

Is ‘dat ergert mij’ correct?

Ja. Ergeren kan ook zonder wederkerend voornaamwoord worden gebruikt. Dat ergert mij is dus een correcte zin.

Is ‘dat irriteert mij’ correct?

Ja. Bijvoorbeeld: Het irriteert mij dat hij altijd te laat komt.

Is het ‘zich ergeren’ of ‘zich irriteren’?

In de standaardtaal gebruik je zich ergeren. Zich irriteren komt veel voor in de spreektaal, maar geldt nog steeds als onjuist.

Is het ‘ik erger mij aan’ of ‘ik irriteer mij aan’?

Ik erger mij aan is correct. Wil je irriteren gebruiken, dan kun je de zin omdraaien: Dat irriteert mij.

Wat is het verschil tussen irriteren en ergeren?

De betekenissen liggen dicht bij elkaar. Het grammaticale verschil is vooral dat ergeren wederkerend kan worden gebruikt: ik erger me aan iets. Bij irriteren gebruik je volgens de taalnorm een constructie als iets irriteert mij.

Ergeren of irriteren? Zo zit het

Wil je het verschil snel onthouden? Gebruik dan deze twee voorbeeldzinnen:

Ik erger me aan zijn gedrag.
Zijn gedrag irriteert mij.

Ergeren heeft daarnaast nog een extra mogelijkheid:

Zijn gedrag ergert mij.

De zin ik irriteer me aan zijn gedrag hoor je vaak en klinkt voor veel mensen inmiddels normaal, maar geldt in de standaardtaal nog als onjuist.

Het verschil tussen ergeren en irriteren past daarmee goed tussen andere veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal. Bij twijfel is vooral het onderscheid ik erger me aan iets / iets irriteert mij handig om te onthouden.t aan iets. Het werkwoord wordt altijd wederkerend gebruikt, dus met “zich”.

Voorbeelden:

  • Ik erger me aan zijn gedrag
  • Zij ergert zich aan het lawaai
  • Wij ergeren ons aan de vertraging

Let op: zonder “zich” is “ergeren” fout in deze betekenis.

Fout: Ik erger dat gedrag

Goed: Ik erger me aan dat gedrag

Lees meer over de definitie van ‘ergeren‘ op enclyclo.nl

Wat betekent “irriteren”?

“Irriteren” betekent ook dat iets stoort of hinderlijk is, maar dit werkwoord kan op twee manieren gebruikt worden:

  • met “zich” (zoals bij ergeren)
  • zonder “zich” (als iets iemand irriteert)

Voorbeelden:

  • Ik irriteer me aan zijn gedrag
  • Het geluid irriteert mij
  • Zij irriteert zich aan de rommel

Hier zie je dat “irriteren” flexibeler is in gebruik dan “ergeren”.

Lees meer over de definitie van ‘irriteren‘ op enclyclo.nl

Wanneer gebruik je “ergeren” of “irriteren”?

In de praktijk:

  • Gebruik ergeren altijd met “zich”
  • Gebruik irriteren met of zonder “zich”, afhankelijk van de zin

Beide woorden kunnen vaak door elkaar worden gebruikt qua betekenis, maar niet qua grammatica.

Vergelijk:

  • Ik erger me aan het geluid
  • Het geluid irriteert mij

Veelgemaakte fouten

Een veelgemaakte fout is het gebruik van “ergeren” zonder “zich”:

  • Dat ergert mij ❌ (informeel hoor je dit vaak, maar het is officieel onjuist)
  • Dat irriteert mij ✅

Ook wordt soms onnodig “zich” toegevoegd bij “irriteren”:

  • Het irriteert zich ❌
  • Het irriteert mij ✅

Handige tip om het verschil te onthouden

Een simpele regel:

  • Ergeren = altijd “zich ergeren aan”
  • Irriteren = iets irriteert iemand / je irriteert je aan iets

Twijfel je? Kun je “zich” weglaten?

  • Ja → gebruik irriteren
  • Nee → gebruik ergeren met “zich”

Waarom correct gebruik belangrijk is

Hoewel in spreektaal veel varianten voorkomen, valt fout gebruik van “ergeren” en “irriteren” in schrijftaal snel op. Zeker in zakelijke communicatie, blogs of websites is correcte formulering belangrijk voor een professionele uitstraling.

Door het verschil goed toe te passen, schrijf je duidelijker en voorkom je fouten die eenvoudig te vermijden zijn.

Na of naar: wat is het verschil en wanneer gebruik je welke vorm?

Na of naar: wat is het verschil en wanneer gebruik je welke vorm?

Na of naar: wanneer gebruik je na en wanneer naar?

Schrijf je na of naar? Beide woorden zijn correct, maar hebben een andere betekenis. Na heeft meestal met tijd of volgorde te maken. Naar gebruik je onder andere bij een richting, bestemming of wanneer iets ergens op gericht is.

Vergelijk:

Na het eten ga ik naar huis.
Na het eten ga ik naar huis.

In één zin zie je het verschil al: na het eten geeft aan wanneer iets gebeurt en naar huis geeft aan waarheen iemand gaat.

Het verschil tussen na en naar is een van de vele veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal. De woorden lijken sterk op elkaar, maar hebben een andere functie.

Wanneer gebruik je na?

Na betekent dat iets later komt dan iets anders. Het kan daarbij gaan om tijd, maar ook om een bepaalde volgorde.

Bijvoorbeeld:

Na het eten ga ik sporten.
Na de vergadering sturen we het verslag.
Hij belde mij na het weekend.
Na drie dagen kregen we antwoord.
De letter B komt na de A.

In de eerste vier voorbeelden gaat het om tijd. In het laatste voorbeeld gaat het om een volgorde: B komt achter A.

Je kunt na vaak begrijpen als nadat iets anders is gebeurd.

Na de vergadering = nadat de vergadering is afgelopen.
Na het eten = nadat we hebben gegeten.

Wanneer gebruik je naar?

Naar gebruik je vaak wanneer het gaat om een richting of bestemming.

Bijvoorbeeld:

Ik ga naar huis.
Zij reist naar Spanje.
We rijden naar Amsterdam.
Hij loopt naar buiten.

Je kunt jezelf hierbij de vraag waarheen? stellen.

Waarheen ga je? → naar huis
Waarheen reis je? → naar Spanje

Maar naar wordt niet alleen voor een letterlijke richting gebruikt. Het komt ook voor in allerlei vaste combinaties:

luisteren naar muziek
kijken naar televisie
zoeken naar een oplossing
vragen naar de prijs
verlangen naar vakantie

Er is hier geen sprake van een letterlijke verplaatsing, maar de handeling is wel ergens op gericht.

Na of naar: de regel in één overzicht

BetekenisNa of naar?Voorbeeld
Later in de tijdnaNa het eten
VolgordenaB komt na A
RichtingnaarNaar links
BestemmingnaarNaar huis
Ergens op gerichtnaarKijken naar
Vaste combinatieverschiltNaar aanleiding van

De eenvoudige hoofdregel blijft dus:

Na = later / erna
Naar = richting / ergens op gericht

Maar bij vaste uitdrukkingen moet je vooral weten welke vorm bij de uitdrukking hoort.

Na huis of naar huis?

De juiste schrijfwijze is:

naar huis

Niet:

na huis

Huis is hier de bestemming. Je gaat ergens naartoe en gebruikt daarom naar.

Bijvoorbeeld:

Ik ga vanavond vroeg naar huis.
Wanneer ga je naar huis?
Na het werk rijdt hij meteen naar huis.

In de laatste zin komen beide woorden voor. Na het werk heeft betrekking op tijd en naar huis op de bestemming.

Na school of naar school?

Hier kunnen na school en naar school allebei correct zijn, maar ze betekenen iets anders.

Ik ga na school voetballen.

Dit betekent: ik ga voetballen nadat school is afgelopen.

Ik ga naar school.

Dit betekent: school is mijn bestemming.

Hetzelfde verschil zie je bij:

na het werk = nadat het werk is afgelopen
naar het werk = richting je werk

En:

na de winkel = in een volgorde nadat de winkel aan bod is gekomen
naar de winkel = de winkel is je bestemming

De betekenis van de zin bepaalt dus welke vorm je nodig hebt.

Na aanleiding of naar aanleiding?

Een bekende fout is:

na aanleiding van

De juiste uitdrukking is:

naar aanleiding van

Bijvoorbeeld:

Naar aanleiding van uw e-mail neem ik contact met u op.
Naar aanleiding van ons gesprek hebben we het voorstel aangepast.

Naar aanleiding van betekent zoiets als als gevolg van, vanwege of op grond van iets wat eerder is gebeurd of gezegd.

Hoewel een aanleiding vaak iets is wat eerder heeft plaatsgevonden, schrijf je dus niet na aanleiding van.

Meer hierover lees je in ons uitgebreide artikel over na aanleiding van of naar aanleiding van.

Na afloop of naar afloop?

Je schrijft:

na afloop

Bijvoorbeeld:

Na afloop drinken we nog iets.
U ontvangt na afloop een bevestiging.

Na afloop betekent dat iets gebeurt nadat iets anders is afgelopen. Het gaat om tijd en daarom gebruik je na.

Naar afloop is in deze betekenis niet correct.

Na verloop van tijd of naar verloop van tijd?

De correcte uitdrukking is:

na verloop van tijd

Bijvoorbeeld:

Na verloop van tijd werd het steeds makkelijker.

De uitdrukking betekent dat iets gebeurt nadat enige tijd is verstreken. Omdat het om tijd gaat, gebruik je na.

Op zoek na of op zoek naar?

Je schrijft:

op zoek naar

Bijvoorbeeld:

Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.
We zijn op zoek naar een oplossing.

Op zoek naar is een vaste combinatie. Op zoek na is niet correct.

Hetzelfde zie je bij het werkwoord zoeken:

zoeken naar informatie
zoeken naar een woning
zoeken naar een antwoord

Luisteren na of luisteren naar?

De juiste combinatie is:

luisteren naar

Bijvoorbeeld:

Ik luister naar muziek.
Zij luistert naar haar collega.

Je luistert niet na iemand, maar naar iemand of iets.

Andere veelvoorkomende combinaties zijn:

kijken naar
vragen naar
zoeken naar
verlangen naar
verwijzen naar

Van … naar of van … na?

Bij een beweging of ontwikkeling tussen twee punten gebruik je van … naar.

Bijvoorbeeld:

van Amsterdam naar Rotterdam
van links naar rechts
van klein naar groot
van beginner naar expert

Ook wanneer er geen fysieke reis plaatsvindt, gebruik je naar. Er is namelijk sprake van een ontwikkeling of richting.

Een dag na of een dag naar?

Bij tijd gebruik je na:

een dag na de vergadering
twee weken na de operatie
een jaar na de verhuizing

Je geeft aan hoeveel tijd er tussen twee gebeurtenissen zit.

Vergelijk dat met:

een dagje naar Amsterdam

Hier is Amsterdam de bestemming en gebruik je dus naar.

Na mij of naar mij?

Ook na mij en naar mij kunnen allebei correct zijn. De betekenis verschilt.

Jij bent na mij aan de beurt.

Hier gaat het om volgorde.

Hij kijkt naar mij.

Hier is de handeling op mij gericht.

Nog een voorbeeld:

Wie komt na mij?
Wie luistert naar mij?

Je kunt dus niet alleen op het woord erachter afgaan. Je moet kijken naar de betekenis van de volledige zin.

Veelgemaakte fouten met na en naar

Vooral in geschreven taal worden na en naar regelmatig verwisseld.

Fout: Ik ga na huis.
Goed: Ik ga naar huis.

Fout: Na aanleiding van uw bericht.
Goed: Naar aanleiding van uw bericht.

Fout: Ik luister na muziek.
Goed: Ik luister naar muziek.

Fout: Naar afloop krijg je een bevestiging.
Goed: Na afloop krijg je een bevestiging.

Fout: Naar het eten gaan we wandelen.
Goed: Na het eten gaan we wandelen.

De betekenis maakt meestal snel duidelijk welke vorm nodig is.

Hoe weet je of je na of naar moet gebruiken?

Twijfel je? Stel jezelf dan eerst de vraag of het om tijd of volgorde gaat.

Is dat het geval? Dan gebruik je meestal na:

na het eten
na drie uur
na afloop
na mij

Gaat het om een richting, bestemming of iets waarop een handeling is gericht? Dan gebruik je meestal naar:

naar huis
naar buiten
kijken naar
luisteren naar

Bij vaste uitdrukkingen is het verstandig de combinatie als geheel te onthouden:

naar aanleiding van
op zoek naar
na afloop
na verloop van tijd

Veelgestelde vragen over na of naar

Is het na of naar huis?

Je schrijft naar huis. Huis is de bestemming: je gaat ergens naartoe.

Is het na of naar school?

Beide kunnen correct zijn. Na school betekent nadat school is afgelopen. Naar school betekent dat je richting school gaat.

Is het na of naar het werk?

Ook beide zijn mogelijk. Na het werk ga ik sporten gaat over tijd. Ik ga naar het werk gaat over een bestemming.

Is het na aanleiding of naar aanleiding?

Je schrijft naar aanleiding van. Na aanleiding van is niet correct.

Is het na afloop of naar afloop?

Je schrijft na afloop, omdat je bedoelt dat iets gebeurt nadat iets anders is afgelopen.

Is het op zoek na of naar?

De correcte uitdrukking is op zoek naar. Bijvoorbeeld: Ik ben op zoek naar een nieuwe baan.

Is het luisteren na of naar?

Je schrijft luisteren naar: Ik luister naar muziek.

Is het na mij of naar mij?

Beide kunnen correct zijn. Na mij heeft betrekking op tijd of volgorde: Jij bent na mij aan de beurt. Naar mij gebruik je wanneer iets op jou gericht is: Hij kijkt naar mij.

Na of naar? Zo onthoud je het

Het belangrijkste verschil tussen na en naar zit in de betekenis.

Na gebruik je bij tijd of volgorde:

na het eten
na drie dagen
na afloop
na mij

Naar gebruik je bij richting, een bestemming of iets waarop een handeling is gericht:

naar huis
naar Amsterdam
kijken naar
luisteren naar

Een handig ezelsbruggetje is: kan je ‘erna’ of ‘later’ bedoelen, dan is het vaak na. Kan je ‘naartoe’ bedoelen, dan is het vaak naar.

Let daarnaast op vaste combinaties zoals naar aanleiding van, op zoek naar, na afloop en na verloop van tijd. Daarmee dek je eigenlijk ook precies de situaties af waarin na en naar in de praktijk het vaakst verkeerd worden gebruikt.

Ook bij andere korte woorden kan de betekenis van de zin bepalen welke vorm je nodig hebt. Zo leggen we bijvoorbeeld uit wanneer je als of dan gebruikt.

Hen of hun: wanneer gebruik je hen en wanneer hun?

Hen of hun: wanneer gebruik je hen en wanneer hun?

Is het hen of hun? Volgens de traditionele taalregel gebruik je hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Hun gebruik je als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en als bezittelijk voornaamwoord.

Een paar voorbeelden:

Ik zie hen morgen.
Ik ga met hen naar kantoor.
Ik geef hun een cadeau.
Dat is hun auto.

Twijfel je tussen hen en hun? Met een paar eenvoudige regels kun je meestal snel bepalen welke vorm je nodig hebt.

Wanneer gebruik je hen?

Je gebruikt hen in twee belangrijke situaties:

  1. Als lijdend voorwerp.
  2. Na een voorzetsel.

Hen als lijdend voorwerp

Is hen het lijdend voorwerp van de zin? Dan gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
We hebben hen uitgenodigd.
De manager bedankte hen.
Niemand kon hen bereiken.

Het gaat om de personen die de handeling rechtstreeks ondergaan.

Neem de zin:

De manager bedankte hen.

Wie bedankte de manager? Hen. Hen is hier het lijdend voorwerp.

Hen na een voorzetsel

Na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen mee.
Het cadeau is voor hen.
We praten over hen.
Zij zit naast hen.
Ik heb het aan hen gegeven.

Woorden als aan, bij, met, naar, naast, over en voor zijn voorzetsels. Staat zo’n voorzetsel ervoor? Dan is hen de veilige keuze.

Dus:

met hen
voor hen
aan hen
bij hen
over hen

En niet met hun, voor hun of aan hun wanneer hun zelfstandig naar personen verwijst.

Wanneer gebruik je hun?

Hun heeft twee belangrijke functies. Je gebruikt het als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven.

Hun als meewerkend voorwerp

Bij een meewerkend voorwerp gebruik je volgens de traditionele regel hun, zolang er geen voorzetsel voor staat.

Bijvoorbeeld:

Ik geef hun een cadeau.
Wij sturen hun de informatie.
Hij vertelde hun het nieuws.
De docent gaf hun extra uitleg.

Een handige controle is om aan hen of voor hen in de zin te zetten.

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Of:

Ik koop hun een ijsje.
Ik koop een ijsje voor hen.

Blijft de betekenis hetzelfde? Dan heb je waarschijnlijk te maken met een meewerkend voorwerp en gebruik je hun.

Hun als bezittelijk voornaamwoord

Er is nog een veelvoorkomend gebruik van hun: om aan te geven dat iets van meerdere personen is.

Bijvoorbeeld:

Dat is hun huis.
Waar staat hun auto?
Hun kinderen gaan naar dezelfde school.
Ik heb hun voorstel gelezen.

Hun is hier een bezittelijk voornaamwoord, net zoals mijn, jouw en zijn.

Een eenvoudige test is daarom:

mijn huis → hun huis
mijn auto → hun auto
mijn idee → hun idee

Kan hun op deze manier door mijn of zijn worden vervangen? Dan is hun correct.

Hen of hun: de regels in één overzicht

SituatieHen of hun?Voorbeeld
Lijdend voorwerphenIk zie hen.
Na een voorzetselhenIk ga met hen mee.
Meewerkend voorwerp zonder voorzetselhunIk geef hun een boek.
BezithunDat is hun boek.
Onderwerpgeen van beideZij komen morgen.

Vooral die laatste regel is belangrijk. Hun is in de standaardtaal geen onderwerp.

Ik geef hen of hun een cadeau?

Volgens de traditionele regel is het:

Ik geef hun een cadeau.

Hun is hier het meewerkend voorwerp. Je kunt de zin namelijk ook schrijven als:

Ik geef een cadeau aan hen.

Zodra je het voorzetsel aan daadwerkelijk in de zin zet, verandert hun dus in hen:

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Dat verschil is een handige manier om de regel te onthouden.

Ik zie hen of hun?

Correct is:

Ik zie hen.

Hen is hier het lijdend voorwerp. Je kunt niet logisch zeggen ik zie iets aan hen met dezelfde betekenis. Er is dus geen sprake van een meewerkend voorwerp.

Hetzelfde geldt voor:

Ik bel hen.
Ik ken hen.
We bezoeken hen.
Ik heb hen gesproken.

Aan hen of aan hun?

Na een voorzetsel gebruik je hen. Daarom is het:

aan hen

en niet:

aan hun

Bijvoorbeeld:

Ik heb het aan hen verteld.
De brief is aan hen gericht.

Let wel op het verschil met hun als bezittelijk voornaamwoord:

Ik geef het aan hun kinderen.

Hier hoort hun bij kinderen en betekent het dat de kinderen van hen zijn. Het is dus niet hetzelfde gebruik als in aan hen.

Voor hen of voor hun?

Wanneer je rechtstreeks naar personen verwijst, is voor hen correct:

Ik heb dit voor hen gekocht.

Maar ook hier kan hun na voor voorkomen wanneer het bezit aangeeft:

Ik heb speelgoed gekocht voor hun kinderen.

In hun kinderen is hun een bezittelijk voornaamwoord.

Het verschil is dus:

Dit cadeau is voor hen.
Dit cadeau is voor hun dochter.

Met hen of met hun?

Je schrijft:

met hen

Met is een voorzetsel en na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen op vakantie.
We hebben met hen gesproken.
Zij werkt al jaren met hen samen.

Met hun kan wel voorkomen wanneer hun bezit aangeeft en er nog een zelfstandig naamwoord achter staat:

Ik ga met hun collega in gesprek.

Hier betekent hun collega: de collega van hen.

Hen of hun bij personen?

Zowel hen als hun kunnen naar meerdere personen verwijzen. Je kiest dus niet op basis van de persoon naar wie je verwijst, maar op basis van de functie in de zin.

Vergelijk:

Ik zie hen.
Ik geef hun een boek.
Ik praat met hen.
Ik ken hun ouders.

In alle vier de zinnen wordt naar dezelfde groep mensen verwezen. Toch verandert het voornaamwoord door de grammaticale functie.

Mag je ‘ze’ gebruiken in plaats van hen of hun?

Ja. In veel zinnen kun je gewoon ze gebruiken wanneer er geen bijzondere nadruk op het woord ligt.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
Ik zie ze morgen.

En:

Ik geef hun morgen de documenten.
Ik geef ze morgen de documenten.

Vooral in gesproken taal en minder formele teksten klinkt ze vaak natuurlijker. Je hoeft dus niet iedere zin zo te construeren dat je per se tussen hen en hun moet kiezen.

Wanneer je nadruk wilt leggen op de personen, ligt hen of hun meer voor de hand:

Ik heb hen uitgenodigd, niet hun collega’s.

Is ‘hun hebben’ correct?

Nee. In de standaardtaal gebruik je hun niet als onderwerp.

Dus niet:

Hun hebben dat gedaan.
Hun komen morgen.

Maar:

Zij hebben dat gedaan.
Zij komen morgen.

In de spreektaal hoor je hun hebben regelmatig, maar in de standaardtaal geldt deze constructie als incorrect.

Waarom is het verschil tussen hen en hun zo lastig?

Het is niet vreemd dat veel mensen twijfelen. Het onderscheid tussen hen en hun is namelijk geen taalregel die vanzelf in het Nederlands is ontstaan.

De scheiding tussen beide vormen is eeuwen geleden door grammatici ingevoerd. In het dagelijkse taalgebruik zijn hen en hun vervolgens nooit overal netjes volgens die regels uit elkaar gehouden.

Daarom klinkt bijvoorbeeld:

Ik geef hun een boek.

voor sommige mensen tegenwoordig minder natuurlijk dan:

Ik geef ze een boek.

In verzorgde schrijftaal kun je de traditionele regels nog steeds prima volgen. In alledaagse taal is ze vaak een natuurlijk alternatief.

Hoe weet je of je hen of hun moet gebruiken?

Twijfel je? Loop dan deze vragen langs.

1. Staat er een voorzetsel voor?
Dan gebruik je hen.

met hen, voor hen, aan hen

2. Geeft het woord bezit aan?
Dan gebruik je hun.

hun huis, hun kinderen, hun mening

3. Is het een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel?
Dan gebruik je volgens de traditionele regel hun.

Ik geef hun een boek.

4. Is het een lijdend voorwerp?
Dan gebruik je hen.

Ik zie hen.

5. Is het het onderwerp van de zin?
Gebruik dan zij of ze, niet hun of hen.

Zij komen morgen.

Handig ezelsbruggetje voor hen of hun

Je kunt de basisregel vrij eenvoudig onthouden:

Hen = zien of na een voorzetsel
Hun = geven of bezit

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen.
Ik praat met hen.
Ik geef hun een boek.
Het is hun boek.

Vooral de test met aan hen is handig:

Ik geef hun een boek.
Ik geef een boek aan hen.

Kun je aan hen of voor hen in gedachten toevoegen en heb je te maken met een ontvanger? Dan is hun volgens de traditionele regel meestal de juiste keuze.

Veelgestelde vragen over hen of hun

Is het hen of hun ouders?

Het is hun ouders. Hun geeft hier bezit aan: het zijn de ouders van hen.

Is het voor hen of voor hun?

Wanneer je naar de personen zelf verwijst, schrijf je voor hen. Bijvoorbeeld: Dit cadeau is voor hen. In voor hun kinderen is hun wel correct, omdat hun aangeeft van wie de kinderen zijn.

Is het met hen of met hun?

Je schrijft met hen, omdat met een voorzetsel is. Bijvoorbeeld: Ik ga met hen mee.

Is het aan hen of aan hun?

Je schrijft aan hen als je naar personen verwijst: Ik geef het aan hen. Aan hun kinderen is wel mogelijk, omdat hun daar bezit aangeeft.

Is het ik geef hen of hun?

Volgens de traditionele regel is het ik geef hun wanneer hun het meewerkend voorwerp is: Ik geef hun een cadeau. Met een voorzetsel wordt het: Ik geef een cadeau aan hen.

Is het ik zie hen of hun?

Het is ik zie hen. Hen is het lijdend voorwerp van de zin.

Is ‘hun’ als onderwerp toegestaan?

Nee, niet in de standaardtaal. Je schrijft niet hun hebben gelijk, maar zij hebben gelijk.

Hen of hun? Dit moet je onthouden

Het verschil tussen hen en hun wordt een stuk eenvoudiger wanneer je eerst kijkt naar de functie van het woord in de zin.

Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel:

Ik zie hen.
Ik ga met hen mee.

Hun gebruik je volgens de traditionele regel als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven:

Ik geef hun een boek.
Dat is hun boek.

En twijfel je in een informele zin nog steeds? Dan is ze vaak een prima en natuurlijk alternatief.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.

Dit of dat: wanneer gebruik je dit en wanneer dat?

Dit of dat: wanneer gebruik je dit en wanneer dat?

Wanneer gebruik je dit en wanneer dat? Beide zijn aanwijzende voornaamwoorden en worden gebruikt bij het-woorden in het enkelvoud. Het verschil zit meestal in de afstand: dit gebruik je voor iets dichtbij en dat voor iets verder weg.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek / dat boek
  • het huis → dit huis / dat huis
  • het probleem → dit probleem / dat probleem

Bij een de-woord gebruik je niet dit of dat, maar deze of die:

  • de auto → deze auto / die auto
  • de stoel → deze stoel / die stoel

De belangrijkste regel is dus: kijk eerst of je met een de-woord of het-woord te maken hebt.

Wanneer gebruik je dit?

Je gebruikt dit bij een enkelvoudig het-woord dat dichtbij is.

Bijvoorbeeld:

  • het boek → dit boek
  • het glas → dit glas
  • het huis → dit huis
  • het probleem → dit probleem

Dichtbij hoeft niet altijd letterlijk dichtbij te betekenen. Het kan ook gaan om iets dat op dit moment centraal staat.

Dit probleem moeten we eerst oplossen.

Dit onderwerp bespreken we vandaag.

Dit jaar gaan we verhuizen.

Met dit vestig je de aandacht op iets dat dichtbij is of op dat moment centraal staat.

Wanneer gebruik je dat?

Dat gebruik je eveneens bij een enkelvoudig het-woord, maar meestal wanneer iets verder weg is.

Bijvoorbeeld:

  • het huis → dat huis
  • het gebouw → dat gebouw
  • het boek → dat boek

Je kunt bijvoorbeeld zeggen:

Zie je dat huis aan de overkant?

Geef mij dat boek daar eens.

Dat gebouw wordt volgend jaar gesloopt.

De afstand hoeft ook hier niet letterlijk te zijn. Je kunt dat gebruiken om terug te verwijzen naar iets wat eerder is gezegd:

We moeten morgen een uur eerder beginnen. Dat wist ik nog niet.

Dat verwijst hier naar de mededeling uit de vorige zin.

Dit of dat: de regel in één overzicht

De keuze wordt duidelijker wanneer je dit en dat samen met deze en die bekijkt.

DichtbijVerder weg
het-woordditdat
de-woorddezedie
meervouddezedie

Dus:

het boek → dit boek / dat boek
de tafel → deze tafel / die tafel
de boeken → deze boeken / die boeken

Met dit schema kun je in veel gevallen direct bepalen welk aanwijzend voornaamwoord je nodig hebt.

Dit boek of dat boek?

Dit boek en dat boek zijn allebei correct. Boek is namelijk een het-woord: het boek.

Het verschil zit in wat je bedoelt.

Dit boek wil ik kopen.

Het boek is dichtbij of staat op dat moment centraal.

Dat boek wil ik kopen.

Je wijst bijvoorbeeld naar een boek dat verderop ligt.

De keuze tussen dit en dat maak je dus pas nadat duidelijk is dat het om een het-woord gaat.

Dit huis of dat huis?

Ook hier kunnen beide vormen correct zijn, want het is het huis.

Wij wonen in dit huis.

Je hebt het over het huis waarin je je bevindt of dat op dat moment centraal staat.

Zie je dat huis daar?

Het huis bevindt zich verder weg.

Hetzelfde geldt voor andere het-woorden:

dit bedrijf / dat bedrijf
dit kind / dat kind
dit kantoor / dat kantoor
dit voorbeeld / dat voorbeeld

Dit auto of deze auto?

Hier gaat het regelmatig fout. Het is niet het auto, maar de auto.

Daarom zeg je:

deze auto
die auto

En niet:

dit auto
dat auto

Het verschil tussen dit en dat gaat dus niet alleen over afstand. Je moet ook weten of het zelfstandig naamwoord een de-woord of het-woord is.

Hoe zit het met meervoud?

Bij een meervoud gebruik je deze of die, nooit dit of dat.

Bijvoorbeeld:

dit boek → deze boeken
dat boek → die boeken

En:

dit huis → deze huizen
dat huis → die huizen

Zelfstandige naamwoorden krijgen in het meervoud namelijk altijd de als lidwoord: de boeken, de huizen en de kinderen.

En bij verkleinwoorden?

Verkleinwoorden zijn in het Nederlands altijd het-woorden. Daarom gebruik je bij een enkelvoudig verkleinwoord dit of dat.

Bijvoorbeeld:

het huisje → dit huisje / dat huisje
het tafeltje → dit tafeltje / dat tafeltje
het meisje → dit meisje / dat meisje
het autootje → dit autootje / dat autootje

Dat levert soms een opvallend verschil op:

de tafel → deze tafel
het tafeltje → dit tafeltje

En:

de auto → deze auto
het autootje → dit autootje

Door van het woord een verkleinwoord te maken, verandert dus ook het aanwijzend voornaamwoord dat erbij hoort.

Dit of dat zonder zelfstandig naamwoord

Dit en dat kunnen ook zelfstandig worden gebruikt. Er hoeft dus niet altijd een zelfstandig naamwoord achter te staan.

Bijvoorbeeld:

Wat is dit?

Dit is mijn nieuwe telefoon.

Wat is dat?

Dat is een goed idee.

Dat wist ik niet.

In deze gevallen kunnen dit en dat verwijzen naar een voorwerp, maar ook naar een situatie, uitspraak of gedachte.

Wat is het verschil tussen ‘dit is’ en ‘dat is’?

Dit is en dat is kunnen allebei correct zijn.

Met dit is introduceer je vaak iets of vestig je ergens direct de aandacht op:

Dit is mijn nieuwe laptop.

Dit is wat ik bedoel.

Met dat is kun je iets aanwijzen dat verder weg is:

Dat is mijn auto daar.

Maar je kunt dat ook gebruiken als reactie op iets wat eerder is gezegd:

Dat is precies wat ik bedoelde.

Welke vorm je kiest, hangt dus af van de context.

Verwijzen naar iets wat eerder is gezegd

Bij een verwijzing naar een volledige zin, situatie of gedachte is het onderscheid tussen dit en dat minder zwart-wit dan bij dit boek en dat boek.

Bijvoorbeeld:

De vergadering is verplaatst naar vrijdag. Dat komt mij goed uit.

Dat verwijst naar het feit dat de vergadering is verplaatst.

Maar dit kan eveneens terugverwijzen:

De omzet is opnieuw gedaald. Dit is inmiddels het derde kwartaal op rij.

Met dit wordt de zojuist genoemde situatie nadrukkelijk centraal gesteld.

Je kunt daarom bij dit soort abstracte verwijzingen niet altijd zeggen dat één vorm goed en de andere fout is. De betekenis en context van de zin spelen mee.

Dit, dat, deze of die: hoe kies je?

Twijfel je? Kijk dan eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Is het een het-woord?

Dan gebruik je:

  • dit voor dichtbij;
  • dat voor verder weg.

Is het een de-woord?

Dan gebruik je:

  • deze voor dichtbij;
  • die voor verder weg.

Bijvoorbeeld:

het boek → dit boek / dat boek
de fiets → deze fiets / die fiets

Bij een meervoud gebruik je eveneens deze of die:

de boeken → deze boeken / die boeken

Veelgestelde vragen over dit of dat

Is het dit of dat boek?

Beide zijn correct. Boek is een het-woord. Gebruik dit boek voor een boek dichtbij en dat boek voor een boek verder weg.

Is het dit of deze?

Dat hangt af van het zelfstandig naamwoord. Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dit: dit boek. Bij een de-woord gebruik je deze: deze tafel.

Is het dat of die?

Bij een enkelvoudig het-woord gebruik je dat: dat huis. Bij een de-woord gebruik je die: die auto. Ook bij een meervoud gebruik je die: die huizen.

Is het dit meisje of deze meisje?

Het is dit meisje. Meisje is een verkleinwoord en daardoor een het-woord: het meisje. Daarom gebruik je dit of dat.

Is het dit probleem of dat probleem?

Beide zijn correct. Het is het probleem. Gebruik dit probleem wanneer het dichtbij of centraal staat en dat probleem wanneer het verder weg staat of wanneer je er bijvoorbeeld naar terugverwijst.

Gebruik je dit en dat alleen voor dingen?

Nee. Dit en dat kunnen ook verwijzen naar een gebeurtenis, situatie, uitspraak of gedachte. Denk bijvoorbeeld aan: Dat wist ik niet of Dit is belangrijk.

Kan je dit en dat door elkaar gebruiken?

Niet altijd. Bij een concreet zelfstandig naamwoord geeft dit normaal gesproken nabijheid aan en dat juist meer afstand. Bij abstracte verwijzingen kan de context meer invloed hebben op welke vorm het natuurlijkst is.

Dit of dat? Zo onthoud je het

De belangrijkste regel is dus niet alleen dit = dichtbij en dat = verder weg. Kijk eerst naar het zelfstandig naamwoord.

Voor het-woorden geldt:

dit = dichtbij
dat = verder weg

Voor de-woorden geldt:

deze = dichtbij
die = verder weg

Dus: dit boek, dat boek, deze tafel en die tafel.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.

Qua of kwa: wat is de juiste spelling?

Qua of kwa: wat is de juiste spelling?

Schrijf je qua of kwa? De juiste spelling is qua. Je spreekt het woord uit als kwa, maar schrijft het met een q en een u. De schrijfwijze kwa is fout wanneer je wat betreft of op het gebied van bedoelt.

Een simpel voorbeeld:

Goed: Qua prijs is dit de beste keuze.
Fout: Kwa prijs is dit de beste keuze.

De verwarring ontstaat vooral doordat qua precies klinkt zoals je kwa zou uitspreken. Toch is de regel eenvoudig: je zegt ‘kwa’, maar je schrijft ‘qua’.

Is het qua of kwa?

Qua is de juiste spelling. Kwa is in deze betekenis niet correct. Je hoeft dus niet per situatie te kiezen tussen qua en kwa.

Je schrijft bijvoorbeeld:

  • qua prijs;
  • qua werk;
  • qua uiterlijk;
  • qua kosten;
  • qua planning;
  • qua ervaring;
  • qua tijd.

Schrijf dus niet kwa prijs, kwa werk of kwa uiterlijk.

Het is een veelgemaakte taalfout die gemakkelijk te verklaren is: de uitspraak van qua is ‘kwa’. Daardoor schrijven mensen het woord regelmatig zoals ze het horen.

Wat betekent qua?

Qua betekent ‘wat betreft’ of ‘in het genoemde opzicht’. Je gebruikt het woord om duidelijk te maken over welk specifiek onderdeel van iets je een uitspraak doet.

Neem bijvoorbeeld:

Qua ervaring is zij de beste kandidaat.

Daarmee zeg je niet dat zij in ieder opzicht de beste kandidaat is. Je hebt het specifiek over haar ervaring.

Je kunt dezelfde boodschap ook schrijven als:

Wat haar ervaring betreft, is zij de beste kandidaat.

Nog een voorbeeld:

Qua prijs verschillen de twee telefoons nauwelijks.

Je vergelijkt de telefoons hier specifiek op hun prijs.

Wat betekent kwa?

Wanneer je wat betreft bedoelt, heeft kwa geen aparte betekenis. Het is simpelweg een foutieve schrijfwijze van qua.

Iemand die schrijft:

Kwa prijs is deze auto interessanter.

bedoelt:

Qua prijs is deze auto interessanter.

De fout is begrijpelijk omdat qua als kwa wordt uitgesproken, maar in een correcte Nederlandse tekst schrijf je qua.

Waarom schrijven mensen kwa in plaats van qua?

De uitspraak is de belangrijkste oorzaak.

Het Nederlandse qua wordt uitgesproken als kwa. Wie het woord vooral uit gesproken taal kent, kan daardoor gemakkelijk aannemen dat het ook zo wordt geschreven.

Daar komt bij dat Nederlandse woorden zoals kwart, kwaliteit en kwaad ervoor zorgen dat de lettercombinatie kw heel normaal aanvoelt.

Bij qua werkt het anders. De spelling hangt samen met de herkomst van het woord.

Waar komt het woord qua vandaan?

Qua komt uit het Latijn. Het is dus oorspronkelijk geen Nederlands woord. Volgens de etymologische informatie van WikiWoordenboek is qua als Nederlands voorzetsel in de betekenis wat betreft voor het eerst aangetroffen in 1824.

De oorspronkelijke spelling met qu is behouden, terwijl de uitspraak in het Nederlands als kwa klinkt.

Dat verklaart meteen waarom de schrijfwijze voor Nederlandstaligen wat onnatuurlijk kan aanvoelen.

Wanneer gebruik je qua?

Je gebruikt qua wanneer je een uitspraak wilt beperken tot een bepaald aspect, onderwerp of gezichtspunt.

Bijvoorbeeld:

Qua salaris ga ik erop vooruit.

Je hebt het specifiek over het salaris.

Qua planning lopen we achter.

Je hebt het alleen over de planning.

Deze auto’s verschillen qua uiterlijk nauwelijks.

Je vergelijkt het uiterlijk.

Qua ervaring heeft hij een voorsprong.

Je kijkt specifiek naar ervaring.

Het woord staat daardoor vaak voor een zelfstandig naamwoord zoals prijs, tijd, kwaliteit, ervaring, uiterlijk of planning.

Voorbeelden van qua in een zin

Een paar voorbeelden maken de toepassing snel duidelijk:

Qua prijs is het eerste abonnement voordeliger.

Qua werk wordt het volgende week behoorlijk druk.

We lopen qua planning nog steeds op schema.

Het nieuwe model is qua uiterlijk nauwelijks veranderd.

Zij is qua ervaring de beste kandidaat.

Er is qua afstand weinig verschil tussen beide routes.

De omzet ziet er qua groei goed uit.

In al deze voorbeelden zou kwa een spelfout zijn.

Kan je qua vervangen door ‘wat betreft’?

Ja. Sterker nog: dit is een handige manier om te controleren of je qua goed gebruikt.

Neem:

Qua kosten valt het project mee.

Vervang qua door wat betreft:

Wat de kosten betreft, valt het project mee.

Blijft de betekenis hetzelfde? Dan wordt qua waarschijnlijk correct gebruikt.

Afhankelijk van de zin kun je ook kiezen voor:

  • wat betreft;
  • op het gebied van;
  • met betrekking tot;
  • ten aanzien van;
  • in dit opzicht.

Dat betekent niet dat je qua moet vermijden. Soms is qua juist de kortste en natuurlijkste formulering.

Is qua formeel of informeel?

Qua is een correct Nederlands woord en kan zowel in gesproken als geschreven Nederlands voorkomen.

Toch is het niet altijd de mooiste keuze. Vooral wanneer je het meerdere keren kort na elkaar gebruikt, kan een tekst wat spreektaalachtig of repetitief worden.

Vergelijk:

Qua omzet gaat het goed, maar qua winst valt het tegen en qua kosten moeten we opletten.

met:

De omzet ontwikkelt zich goed, maar de winst valt tegen en de kosten vragen om aandacht.

De tweede zin leest soepeler.

In een e-mail, blog of alledaagse zakelijke tekst is qua meestal prima. In formele teksten kan wat betreft of een volledig andere zinsconstructie soms beter passen.

Is het qua prijs of kwa prijs?

De juiste schrijfwijze is qua prijs.

Bijvoorbeeld:

Qua prijs is optie A aantrekkelijker.

Kwa prijs is niet correct.

Is het qua werk of kwa werk?

Je schrijft qua werk.

Bijvoorbeeld:

Qua werk heb ik deze maand weinig te klagen.

Ook hier geldt dat je qua eventueel kunt vervangen door wat betreft:

Wat mijn werk betreft, heb ik deze maand weinig te klagen.

Is het qua uiterlijk of kwa uiterlijk?

Qua uiterlijk is correct.

Bijvoorbeeld:

Qua uiterlijk lijken de twee modellen sterk op elkaar.

De schrijfwijze kwa uiterlijk is fout.

Hoe spreek je qua uit?

Hoewel je qua schrijft, spreek je het uit als kwa. Het woord bestaat uit één lettergreep.

Dat verschil tussen uitspraak en spelling is precies de reden dat er zoveel twijfel bestaat over qua of kwa.

Een eenvoudig ezelsbruggetje voor qua of kwa

Je hoeft eigenlijk maar één zin te onthouden:

Je zegt kwa, maar je schrijft qua.

Twijfel je tijdens het schrijven? Kijk dan ook of je qua kunt vervangen door wat betreft.

Qua kosten is het interessant.
Wat de kosten betreft, is het interessant.

Werkt die vervanging? Dan weet je zowel dat je het woord goed gebruikt als dat je qua moet schrijven.

Veelgestelde vragen over qua en kwa

Is kwa een Nederlands woord?

Niet wanneer je wat betreft of op het gebied van bedoelt. In die betekenis is kwa een verkeerde spelling en schrijf je qua.

Is qua een Nederlands woord?

Ja. Qua is als leenwoord opgenomen in het Nederlands en wordt gebruikt als voorzetsel met onder andere de betekenis wat betreft. Het woord is afkomstig uit het Latijn.

Is het kwa of qua?

Het is qua. Kwa is een veelgemaakte spelfout die waarschijnlijk ontstaat doordat qua als kwa wordt uitgesproken.

Moet er een komma na qua?

Nee, niet automatisch. Qua vormt doorgaans samen met het woord erachter een zinsdeel, zoals qua prijs of qua planning. Of ergens een komma nodig is, wordt bepaald door de opbouw van de volledige zin en niet door het woord qua zelf.

Wat is een ander woord voor qua?

Het duidelijkste alternatief is wat betreft. Afhankelijk van de zin kun je ook op het gebied van, met betrekking tot of ten aanzien van gebruiken.

Kan je qua aan het begin van een zin gebruiken?

Ja. Bijvoorbeeld: “Qua prijs is deze laptop aantrekkelijk.” Omdat qua hier aan het begin van de zin staat, schrijf je het uiteraard met een hoofdletter.

Qua of kwa? Dit moet je onthouden

De keuze tussen qua of kwa is uiteindelijk eenvoudig: qua is correct wanneer je wat betreft of op het gebied van bedoelt.

De verwarring ontstaat doordat je qua uitspreekt als kwa. Onthoud daarom de eenvoudige regel:

Je zegt kwa, maar je schrijft qua.

Twijfel je vaker over dit soort woorden? Bekijk dan ook onze uitleg over veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal. Ook bij sowieso of zowiezo en naar aanleiding of na aanleiding gaat het regelmatig mis.