Is het ik word of ik wordt? Schrijf je je wordt of je word? En hoe zit het met word je en wordt je? Het werkwoord worden zorgt regelmatig voor twijfel, omdat je de t aan het einde vaak nauwelijks hoort.
Gelukkig gelden hiervoor dezelfde regels als bij andere werkwoorden in de tegenwoordige tijd. Hieronder leggen we eenvoudig uit wanneer je word of wordt schrijft.
Word of wordt?
Word en wordt zijn allebei correcte vormen van het werkwoord worden. Welke vorm je nodig hebt, hangt af van het onderwerp van de zin.
In de tegenwoordige tijd krijg je:
- ik word;
- jij wordt;
- hij wordt;
- zij wordt;
- u wordt;
- wij worden;
- jullie worden;
- zij worden.
Bij ik gebruik je dus word. Bij jij, hij, zij en u komt er normaal gesproken een t achter de stam en krijg je wordt.

Ik word of ik wordt?
Ik word is correct. Bij ik gebruik je de stam van het werkwoord zonder extra t.
Goed: Ik word morgen gebeld.
Fout: Ik wordt morgen gebeld.
Goed: Ik word steeds beter in Nederlands.
Fout: Ik wordt steeds beter in Nederlands.
Onthoud daarom simpelweg: na ik komt nooit wordt met dt.
Je wordt of je word?
Wanneer je het onderwerp is en vóór het werkwoord staat, schrijf je je wordt.
Goed: Je wordt morgen verwacht.
Fout: Je word morgen verwacht.
Hetzelfde geldt wanneer je jij gebruikt:
Jij wordt morgen verwacht.
Omdat jij/je vóór het werkwoord staat, gebruik je de stam + t: word + t = wordt.
Word je of wordt je?
Draai je de volgorde om en komt je of jij achter het werkwoord te staan? Dan vervalt de t.
Je schrijft dus:
Word je morgen gebeld?
Word jij daar ook zenuwachtig van?
Niet:
Wordt je morgen gebeld?
Wordt jij daar ook zenuwachtig van?
Dit is dezelfde regel die je tegenkomt bij vinden: jij vindt, maar vind jij?
Het wordt of het word?
Bij het schrijf je wordt met dt.
Goed: Het wordt morgen mooi weer.
Fout: Het word morgen mooi weer.
Goed: Het wordt steeds drukker.**
Goed: Het wordt tijd om te vertrekken.**
Het onderwerp het is derde persoon enkelvoud. Daarom krijgt de stam word een t en ontstaat wordt.
Word jij of wordt jij?
Word jij is correct.
Normaal gesproken schrijf je jij wordt, maar bij omgekeerde woordvolgorde vervalt de t:
Jij wordt boos.
Word jij boos?
Jij wordt ondernemer.
Word jij ondernemer?
Dit geldt alleen wanneer jij of je daadwerkelijk het onderwerp is.
Wordt hij of word hij?
Bij hij vervalt de t juist niet wanneer je de woordvolgorde omdraait.
Hij wordt morgen 30 jaar.
Wordt hij morgen 30 jaar?
Daarmee krijg je dus een belangrijk verschil:
Word jij morgen gebeld?
Wordt hij morgen gebeld?
De regel waarbij de t verdwijnt bij omgekeerde woordvolgorde geldt specifiek voor jij/je.
Hoe kun je controleren of je word of wordt moet schrijven?
Twijfel je? Vervang worden dan eens door een werkwoord waarbij je de t duidelijk hoort, bijvoorbeeld lopen.
Ik loop → ik word
Jij loopt → jij wordt
Loop jij? → word jij?
Hij loopt → hij wordt
Loopt hij? → wordt hij?
Hierdoor hoef je niet na te denken over d of dt, maar kun je vaak horen welke vorm je nodig hebt.
Lees ook ons overzicht van veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal als je vaker twijfelt over Nederlandse spelling en grammatica.
Word of wordt? Onthoud deze vier vormen
De belangrijkste vormen zijn eenvoudig samen te vatten: ik word, je wordt, word je en het wordt.
Vooral bij jij en je moet je dus even opletten. Staat het onderwerp vóór het werkwoord, dan schrijf je jij wordt. Staat het erachter, dan vervalt de t en schrijf je word jij.