Selecteer een pagina

Hen of hun: wanneer gebruik je hen en wanneer hun?

Is het hen of hun? Volgens de traditionele taalregel gebruik je hen als lijdend voorwerp en na een voorzetsel. Hun gebruik je als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en als bezittelijk voornaamwoord.

Een paar voorbeelden:

Ik zie hen morgen.
Ik ga met hen naar kantoor.
Ik geef hun een cadeau.
Dat is hun auto.

Twijfel je tussen hen en hun? Met een paar eenvoudige regels kun je meestal snel bepalen welke vorm je nodig hebt.

Wanneer gebruik je hen?

Je gebruikt hen in twee belangrijke situaties:

  1. Als lijdend voorwerp.
  2. Na een voorzetsel.

Hen als lijdend voorwerp

Is hen het lijdend voorwerp van de zin? Dan gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
We hebben hen uitgenodigd.
De manager bedankte hen.
Niemand kon hen bereiken.

Het gaat om de personen die de handeling rechtstreeks ondergaan.

Neem de zin:

De manager bedankte hen.

Wie bedankte de manager? Hen. Hen is hier het lijdend voorwerp.

Hen na een voorzetsel

Na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen mee.
Het cadeau is voor hen.
We praten over hen.
Zij zit naast hen.
Ik heb het aan hen gegeven.

Woorden als aan, bij, met, naar, naast, over en voor zijn voorzetsels. Staat zo’n voorzetsel ervoor? Dan is hen de veilige keuze.

Dus:

met hen
voor hen
aan hen
bij hen
over hen

En niet met hun, voor hun of aan hun wanneer hun zelfstandig naar personen verwijst.

Wanneer gebruik je hun?

Hun heeft twee belangrijke functies. Je gebruikt het als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven.

Hun als meewerkend voorwerp

Bij een meewerkend voorwerp gebruik je volgens de traditionele regel hun, zolang er geen voorzetsel voor staat.

Bijvoorbeeld:

Ik geef hun een cadeau.
Wij sturen hun de informatie.
Hij vertelde hun het nieuws.
De docent gaf hun extra uitleg.

Een handige controle is om aan hen of voor hen in de zin te zetten.

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Of:

Ik koop hun een ijsje.
Ik koop een ijsje voor hen.

Blijft de betekenis hetzelfde? Dan heb je waarschijnlijk te maken met een meewerkend voorwerp en gebruik je hun.

Hun als bezittelijk voornaamwoord

Er is nog een veelvoorkomend gebruik van hun: om aan te geven dat iets van meerdere personen is.

Bijvoorbeeld:

Dat is hun huis.
Waar staat hun auto?
Hun kinderen gaan naar dezelfde school.
Ik heb hun voorstel gelezen.

Hun is hier een bezittelijk voornaamwoord, net zoals mijn, jouw en zijn.

Een eenvoudige test is daarom:

mijn huis → hun huis
mijn auto → hun auto
mijn idee → hun idee

Kan hun op deze manier door mijn of zijn worden vervangen? Dan is hun correct.

Hen of hun: de regels in één overzicht

SituatieHen of hun?Voorbeeld
Lijdend voorwerphenIk zie hen.
Na een voorzetselhenIk ga met hen mee.
Meewerkend voorwerp zonder voorzetselhunIk geef hun een boek.
BezithunDat is hun boek.
Onderwerpgeen van beideZij komen morgen.

Vooral die laatste regel is belangrijk. Hun is in de standaardtaal geen onderwerp.

Ik geef hen of hun een cadeau?

Volgens de traditionele regel is het:

Ik geef hun een cadeau.

Hun is hier het meewerkend voorwerp. Je kunt de zin namelijk ook schrijven als:

Ik geef een cadeau aan hen.

Zodra je het voorzetsel aan daadwerkelijk in de zin zet, verandert hun dus in hen:

Ik geef hun een cadeau.
Ik geef een cadeau aan hen.

Dat verschil is een handige manier om de regel te onthouden.

Ik zie hen of hun?

Correct is:

Ik zie hen.

Hen is hier het lijdend voorwerp. Je kunt niet logisch zeggen ik zie iets aan hen met dezelfde betekenis. Er is dus geen sprake van een meewerkend voorwerp.

Hetzelfde geldt voor:

Ik bel hen.
Ik ken hen.
We bezoeken hen.
Ik heb hen gesproken.

Aan hen of aan hun?

Na een voorzetsel gebruik je hen. Daarom is het:

aan hen

en niet:

aan hun

Bijvoorbeeld:

Ik heb het aan hen verteld.
De brief is aan hen gericht.

Let wel op het verschil met hun als bezittelijk voornaamwoord:

Ik geef het aan hun kinderen.

Hier hoort hun bij kinderen en betekent het dat de kinderen van hen zijn. Het is dus niet hetzelfde gebruik als in aan hen.

Voor hen of voor hun?

Wanneer je rechtstreeks naar personen verwijst, is voor hen correct:

Ik heb dit voor hen gekocht.

Maar ook hier kan hun na voor voorkomen wanneer het bezit aangeeft:

Ik heb speelgoed gekocht voor hun kinderen.

In hun kinderen is hun een bezittelijk voornaamwoord.

Het verschil is dus:

Dit cadeau is voor hen.
Dit cadeau is voor hun dochter.

Met hen of met hun?

Je schrijft:

met hen

Met is een voorzetsel en na een voorzetsel gebruik je hen.

Bijvoorbeeld:

Ik ga met hen op vakantie.
We hebben met hen gesproken.
Zij werkt al jaren met hen samen.

Met hun kan wel voorkomen wanneer hun bezit aangeeft en er nog een zelfstandig naamwoord achter staat:

Ik ga met hun collega in gesprek.

Hier betekent hun collega: de collega van hen.

Hen of hun bij personen?

Zowel hen als hun kunnen naar meerdere personen verwijzen. Je kiest dus niet op basis van de persoon naar wie je verwijst, maar op basis van de functie in de zin.

Vergelijk:

Ik zie hen.
Ik geef hun een boek.
Ik praat met hen.
Ik ken hun ouders.

In alle vier de zinnen wordt naar dezelfde groep mensen verwezen. Toch verandert het voornaamwoord door de grammaticale functie.

Mag je ‘ze’ gebruiken in plaats van hen of hun?

Ja. In veel zinnen kun je gewoon ze gebruiken wanneer er geen bijzondere nadruk op het woord ligt.

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen morgen.
Ik zie ze morgen.

En:

Ik geef hun morgen de documenten.
Ik geef ze morgen de documenten.

Vooral in gesproken taal en minder formele teksten klinkt ze vaak natuurlijker. Je hoeft dus niet iedere zin zo te construeren dat je per se tussen hen en hun moet kiezen.

Wanneer je nadruk wilt leggen op de personen, ligt hen of hun meer voor de hand:

Ik heb hen uitgenodigd, niet hun collega’s.

Is ‘hun hebben’ correct?

Nee. In de standaardtaal gebruik je hun niet als onderwerp.

Dus niet:

Hun hebben dat gedaan.
Hun komen morgen.

Maar:

Zij hebben dat gedaan.
Zij komen morgen.

In de spreektaal hoor je hun hebben regelmatig, maar in de standaardtaal geldt deze constructie als incorrect.

Waarom is het verschil tussen hen en hun zo lastig?

Het is niet vreemd dat veel mensen twijfelen. Het onderscheid tussen hen en hun is namelijk geen taalregel die vanzelf in het Nederlands is ontstaan.

De scheiding tussen beide vormen is eeuwen geleden door grammatici ingevoerd. In het dagelijkse taalgebruik zijn hen en hun vervolgens nooit overal netjes volgens die regels uit elkaar gehouden.

Daarom klinkt bijvoorbeeld:

Ik geef hun een boek.

voor sommige mensen tegenwoordig minder natuurlijk dan:

Ik geef ze een boek.

In verzorgde schrijftaal kun je de traditionele regels nog steeds prima volgen. In alledaagse taal is ze vaak een natuurlijk alternatief.

Hoe weet je of je hen of hun moet gebruiken?

Twijfel je? Loop dan deze vragen langs.

1. Staat er een voorzetsel voor?
Dan gebruik je hen.

met hen, voor hen, aan hen

2. Geeft het woord bezit aan?
Dan gebruik je hun.

hun huis, hun kinderen, hun mening

3. Is het een meewerkend voorwerp zonder voorzetsel?
Dan gebruik je volgens de traditionele regel hun.

Ik geef hun een boek.

4. Is het een lijdend voorwerp?
Dan gebruik je hen.

Ik zie hen.

5. Is het het onderwerp van de zin?
Gebruik dan zij of ze, niet hun of hen.

Zij komen morgen.

Handig ezelsbruggetje voor hen of hun

Je kunt de basisregel vrij eenvoudig onthouden:

Hen = zien of na een voorzetsel
Hun = geven of bezit

Bijvoorbeeld:

Ik zie hen.
Ik praat met hen.
Ik geef hun een boek.
Het is hun boek.

Vooral de test met aan hen is handig:

Ik geef hun een boek.
Ik geef een boek aan hen.

Kun je aan hen of voor hen in gedachten toevoegen en heb je te maken met een ontvanger? Dan is hun volgens de traditionele regel meestal de juiste keuze.

Veelgestelde vragen over hen of hun

Is het hen of hun ouders?

Het is hun ouders. Hun geeft hier bezit aan: het zijn de ouders van hen.

Is het voor hen of voor hun?

Wanneer je naar de personen zelf verwijst, schrijf je voor hen. Bijvoorbeeld: Dit cadeau is voor hen. In voor hun kinderen is hun wel correct, omdat hun aangeeft van wie de kinderen zijn.

Is het met hen of met hun?

Je schrijft met hen, omdat met een voorzetsel is. Bijvoorbeeld: Ik ga met hen mee.

Is het aan hen of aan hun?

Je schrijft aan hen als je naar personen verwijst: Ik geef het aan hen. Aan hun kinderen is wel mogelijk, omdat hun daar bezit aangeeft.

Is het ik geef hen of hun?

Volgens de traditionele regel is het ik geef hun wanneer hun het meewerkend voorwerp is: Ik geef hun een cadeau. Met een voorzetsel wordt het: Ik geef een cadeau aan hen.

Is het ik zie hen of hun?

Het is ik zie hen. Hen is het lijdend voorwerp van de zin.

Is ‘hun’ als onderwerp toegestaan?

Nee, niet in de standaardtaal. Je schrijft niet hun hebben gelijk, maar zij hebben gelijk.

Hen of hun? Dit moet je onthouden

Het verschil tussen hen en hun wordt een stuk eenvoudiger wanneer je eerst kijkt naar de functie van het woord in de zin.

Hen gebruik je als lijdend voorwerp en na een voorzetsel:

Ik zie hen.
Ik ga met hen mee.

Hun gebruik je volgens de traditionele regel als meewerkend voorwerp zonder voorzetsel en om bezit aan te geven:

Ik geef hun een boek.
Dat is hun boek.

En twijfel je in een informele zin nog steeds? Dan is ze vaak een prima en natuurlijk alternatief.

Twijfel je vaker over dit soort taalregels? Bekijk dan ook onze artikelen over als of dan en veelgemaakte taalfouten in de Nederlandse taal.